HEEMST
[Hebr.: chal·la·moethʹ].
Een overblijvende plant die nauw verwant is aan de stokroos. De houtachtige stengels van de heemst (Althaea officinalis) worden gewoonlijk 1,8 m hoog. De grote, brede bladeren van de plant zijn gezaagd en lopen in een scherpe punt uit. Zowel de stengels als de bladeren zijn met zacht, donzig haar bedekt. De bleekroze vijfbladige bloemen hebben een doorsnede van ongeveer 5 cm. In tijden van hongersnood heeft men de witte, peenachtige wortel als voedsel gebruikt. De enige keer dat er in de Schrift melding wordt gemaakt van heemst, wordt er gezinspeeld op de smakeloosheid ervan. — Job 6:6.
Het Hebreeuwse woord chal·la·moethʹ, dat alleen in Job 6:6 voorkomt, is met „eiwit” (NBG), „malve” (WV) en, volgens de definitie in het werk Lexicon in Veteris Testamenti Libros door L. Koehler en W. Baumgartner, met „heemst” (NW) vertaald.