MAÄCHATHIET
(Maächathi̱e̱t) [Van (behorend tot) Maächath (de stad)].
Inwoner van het Aramese rijk Maächa (De 3:14; Joz 12:5; 13:13); een van hen was Estemoa (1Kr 4:19). Men vermoedt dat Abel-Beth-Maächa (wat „Waterloop van het huis van Maächa” betekent), een stad in het N van Palestina, misschien zo genoemd werd omdat ze niet ver van het door de Maächathieten bewoonde gebied lag. — 1Kon 15:20.