MAÄCHA
(Ma̱ächa).
De naam van verscheidene personen en van een koninkrijk.
[1-9: misschien van een grondwoord dat „pletten; drukken; betasten” betekent]
1. Een kind dat Nahor, de broer van Abraham, bij zijn bijvrouw Reüma had. Kennelijk was het een zoon, want een koninkrijk en de bewoners ervan werden naar hem genoemd. — Ge 22:23, 24; 2Sa 10:6, 8.
2. Vrouw van de Manassiet Machir. — 1Kr 7:14-16.
3. Een van de bijvrouwen van Kaleb (de zoon van Hezron), die hem verscheidene kinderen baarde. — 1Kr 2:18, 48, 49.
4. De vrouw van Jeïël, „de vader van Gibeon”. — 1Kr 8:29; 9:35.
5. Een van Davids vrouwen en de dochter van Talmai, de koning van Gesur. Zij was de moeder van Absalom. — 2Sa 3:2, 3; 1Kr 3:1, 2.
6. Vader of voorvader van Hanan, een sterke man van Davids strijdkrachten. — 1Kr 11:26, 43.
7. Vader of voorvader van Sefatja, een vorst van Israël die als leider van de Simeonieten werd aangesteld toen David de dienst van de koning organiseerde. — 1Kr 27:1, 16, 22.
8. Vader van Achis, de koning van Gath; in het begin van Salomo’s regering vluchtten Simeï’s slaven naar Achis (1Kon 2:39). Deze Maächa is misschien dezelfde als de in 1 Samuël 27:2 genoemde Maoch. — Zie MAOCH.
9. Absaloms kleindochter. Zij was de meest geliefde vrouw van de Judese koning Rehabeam en de moeder van koning Abia (Abiam) (2Kr 11:20-22; 1Kon 15:1, 2, 9, 10). Aangezien zij de koningin-moeder was, beschouwde men haar als de „Vrouwe” in het koninkrijk, maar toen koning Asa, haar kleinzoon, de ware aanbidding herstelde, ontzette hij haar uit haar waardigheid, „omdat zij een afschuwelijk afgodsbeeld voor de heilige paal [of de Asjera] had gemaakt” (1Kon 15:9-13; 2Kr 15:16). In 2 Kronieken 13:2 wordt zij Michaja genoemd.
10. Een klein koninkrijk in het N van Palestina toen de Israëlieten het land binnenvielen; ook Maächath genoemd. Kennelijk is Maächa deel gaan uitmaken van het stamgebied van Manasse. Het verslag laat echter zien dat de Israëlieten de bewoners van dat land niet uit hun bezit verdreven, zodat ’zij te midden van Israël bleven wonen’ (De 3:14; Joz 13:13). Maächa wordt over het algemeen samen met het naburige koninkrijk Gesur genoemd en schijnt ten N daarvan gelegen te hebben en aan het gebied van Basan te hebben gegrensd (Joz 12:5). Gewoonlijk gaat men ervan uit dat het zich van de zuidelijke hellingen van de Hermon tot aan het Hulabekken en van de Jordaan oostwaarts tot de rand van de Syrische Woestijn uitstrekte ofte wel praktisch met het noordelijke deel van het huidige district Golan overeenkwam.
Maächa was een Aramees (Syrisch) rijk waarvan de bevolking misschien van Nahors gelijknamige zoon afstamde (Ge 22:24; 1Kr 19:6). Toen de Ammonieten oorlog voerden tegen koning David, huurden zij onder andere manschappen van de koning van Maächa. Dat Maächa in verhouding tot de andere bondgenoten slechts een kleine strijdmacht ter beschikking stelde, kan erop duiden dat het Maächathitische koninkrijk tamelijk klein was (2Sa 10:6-8). Nadat Joab de Ammonieten en hun Syrische bondgenoten had overwonnen, behaalde koning David opnieuw een overwinning op de Syriërs (2Sa 10:13-19). Uit latere verslagen schijnt opgemaakt te kunnen worden dat het koninkrijk Maächa ten slotte onder de heerschappij van het koninkrijk van Damaskus kwam.