DAG DES HEREN
Een duidelijk afgebakende tijdsperiode waarin de Heer Jezus Christus bepaalde dingen in verband met Gods voornemen tot een succesvol einde brengt.
In het bijbelse spraakgebruik kan het woord „dag” op een periode duiden die veel langer is dan 24 uur (Ge 2:4; Jo 8:56; 2Pe 3:8). De in Openbaring 1:10 genoemde „dag des Heren” is, zoals uit de context blijkt, niet een bepaalde dag van 24 uur. Aangezien Johannes „door inspiratie” „in de dag des Heren” geraakte, kon hiermee niet een bepaalde dag van de week bedoeld zijn. Johannes behoefde niet geïnspireerd te worden om in een specifieke dag van de week te geraken. Daarom moet „de dag des Heren” betrekking hebben op die tijd in de toekomst waarin de gebeurtenissen die Johannes in een visioen mocht zien, zouden plaatsvinden. Hiertoe behoorden gebeurtenissen als de oorlog in de hemel en het uitwerpen van Satan, de vernietiging van Babylon de Grote en de koningen der aarde met hun legers, het binden en in de afgrond werpen van Satan, de opstanding der doden en Christus’ duizendjarige regering.
Uit de context blijkt dat met de Heer wiens „dag” het is, Jezus Christus wordt bedoeld. Onmiddellijk nadat Johannes „in de dag des Heren” was geraakt, hoorde hij niet de stem van de Almachtige God, maar die van de uit de dood opgewekte Zoon van God (Opb 1:10-18). Ook met de in 1 Korinthiërs 1:8; 5:5 en 2 Korinthiërs 1:14 genoemde ’dag van de Heer’ wordt de dag van Jezus Christus bedoeld.