LADDER
De enige keer dat er in de bijbel melding wordt gemaakt van een ladder is in Genesis 28:12, waar de Hebreeuwse term soel·lamʹ wordt toegepast op een ladder die Jakob in een droom had gezien. De patriarch zag een ladder (of misschien iets wat er als een stenen opgang uitzag) die op de aarde stond en waarvan de top tot aan de hemel reikte. Gods engelen klommen daarlangs op en daalden daarlangs af, en erboven was een voorstelling van Jehovah God (Ge 28:13). Deze ladder met de engelen erop geeft te kennen dat er communicatie tussen de aarde en de hemel bestaat en laat zien dat engelen belangrijke diensten verrichten in het contact tussen God en degenen die zijn goedkeuring genieten.
Toen Jezus tot zijn discipelen zei: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg ulieden: Gij zult de hemel geopend zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen tot de Zoon des mensen”, heeft hij wellicht Jakobs visioen in gedachten gehad. — Jo 1:51.
Stormladders behoorden tot de belegeringsuitrusting in oorlogstijd en staan veelvuldig afgebeeld op Egyptische en Assyrische monumenten. Een reliëf uit Nineve toont de Assyriërs die bij de aanval op Lachis belegeringsladders gebruikten.
In de oudheid dienden ladders ook andere doeleinden. Men gebruikte ze bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden. Zo zijn ze op de Urnammu-stèle te zien, waarop de bouw van een zigurrat staat afgebeeld. Ook op een Assyrisch reliëf uit Tell Halaf, dat uit de 9de eeuw v.G.T. zou dateren, is een man te zien die met behulp van een ladder in een dadelpalm klimt.