BAKTROG
Een ondiepe en meestal draagbare bak die de vorm van een schotel had. Gewoonlijk was hij van hout, maar hij kon ook van aardewerk of brons zijn. Hierin werd meel met water vermengd en tot deeg verwerkt. Bij de bereiding van gezuurd brood werd de deegmassa over het algemeen gezuurd doordat men er wat zuurdeeg van een vorig baksel aan toevoegde. Voordat het deeg werd gebakken, liet men het in de baktrog staan totdat het voldoende gerezen was (Ge 18:6; 1Sa 28:24). Gewoonlijk werd het deeg met de hand gekneed, hoewel de Egyptenaren soms ook hun voeten gebruikten, wanneer zij het deeg in een grote trog kneedden. — Ho 7:4.
Het formaat van de bakschotel of -trog kon heel verschillend zijn. Maar een veelgebruikt aardewerken type had een doorsnede van ongeveer 25 cm en was zo’n 8 cm diep.
Brood was een voornaam voedingsmiddel van de Hebreeën en werd geregeld gebakken. De baktrog was bij de Israëlieten en andere volken uit de oudheid dan ook een uitermate belangrijk voorwerp. De kikvorsen die in de dagen van Mozes Egypte bedekten tijdens de tweede slag die Jehovah het land toebracht, drongen de huizen binnen en werden zelfs in de baktroggen aangetroffen (Ex 8:3). Toen de Israëlieten later haastig uit Egypte vertrokken, „nam het volk zijn meeldeeg op voordat het gezuurd was, terwijl zij hun baktroggen in hun mantels gewikkeld op hun schouder droegen” (Ex 12:33, 34). Aangezien de baktrog voor de bereiding van het ’dagelijks brood’ werd gebruikt, was hij een belangrijk stuk huishoudelijk gerei; wanneer Jehovah’s zegen er derhalve op rustte, betekende dit kennelijk dat er altijd voldoende voedsel in huis zou zijn, terwijl zijn vloek erop beduidde dat men honger moest lijden. — De 28:1, 2, 5, 15, 17.