KADMIËL
(Ka̱dmiël) [God treedt (komt) tegemoet; God gaat vooraan].
Een leviet die, vergezeld van leden van zijn familie, met Zerubbabel naar Jeruzalem terugkeerde (Ezr 2:1, 2, 40; Ne 7:6, 7, 43; 12:1, 8, 24). Kadmiël en zijn zonen voerden samen met anderen het opzicht bij de herbouw van de tempel. — Ezr 3:9.
De tijdsperiode tussen de terugkeer uit de Babylonische ballingschap (537 v.G.T.) en de belijdenis die de hele natie in Nehemia’s tijd (455 v.G.T.) deed van de zonden die zij tegen Jehovah hadden begaan, welke belijdenis werd gevolgd door het met een zegel bekrachtigen van de „betrouwbare overeenkomst” (Ne 9:4, 5, 38; 10:1, 9, 10), is te lang om het aannemelijk te maken dat dezelfde Kadmiël bij al deze aangelegenheden aanwezig had kunnen zijn. Ongetwijfeld had een vertegenwoordiger van Kadmiëls huis een aandeel aan deze laatste twee gebeurtenissen.