JEMUËL (Je̱muël) [misschien: Dag van God]. De eerstgenoemde zoon van Simeon en een van de „zeventig” huisgenoten van Jakob „die naar Egypte kwamen” (Ge 46:10, 27; Ex 6:15). Op andere plaatsen in het bijbelse verslag wordt hij Nemuël genoemd. — Nu 26:12; 1Kr 4:24.