JEHIËL
(Jehi̱ël) [Moge hij leven, o God!].
1. Een leviet van de tweede afdeling van musici die de ark van het verbond uit het huis van Obed-Edom naar Jeruzalem begeleidden (1Kr 15:17, 18, 20, 25, 28). Daarna werden Jehiël en anderen aangesteld om buiten de tent waarin de Ark rustte, muziek te maken. — 1Kr 16:1, 4-6.
2. Een nakomeling van de leviet Gerson via Ladan; een „hoofd” (1Kr 23:6-8). Tegen het einde van Davids regering hadden Jehiël(i) en zijn zonen (of het naar hem genoemde vaderlijk huis) het toezicht over de schatkamer van Jehovah’s huis van aanbidding. — 1Kr 26:21, 22; 29:8.
3. Iemand die belast was met de opvoeding (misschien een onderwijzer) van Davids zonen; een zoon of nakomeling van Hachmoni. — 1Kr 27:32.
4. Een zoon van koning Josafat. Jehiël en zijn broers kregen van hun vader vele kostbare geschenken en ook steden, maar het koninkrijk zou op Joram, hun oudste broer, overgaan. Nadat Josafat was gestorven, doodde Joram echter al zijn broers. — 2Kr 21:1-4, 12, 13.
5. Een leviet die meehielp om de onreine voorwerpen die koning Hizkia uit de tempel liet verwijderen, weg te doen; een nakomeling van Heman (2Kr 29:12, 14-19); waarschijnlijk dezelfde als nr. 6.
6. Een leviet die gemachtigd was om mede zorg te dragen voor de overvloedige bijdragen die het volk tijdens Hizkia’s regering naar de tempel bracht (2Kr 31:12, 13). Waarschijnlijk dezelfde als nr. 5.
7. Een van de drie „leiders van het huis van de ware God” die edelmoedig offerdieren schonken voor de grote paschaviering van koning Josia. — 2Kr 35:8.
8. Een lid van het vaderlijk huis van Joab. Zijn zoon Obadja keerde met Ezra naar Jeruzalem terug. — Ezr 8:1, 9.
9. Een Israëliet wiens zoon tegenover Ezra toegaf dat het volk zich schuldig had gemaakt aan een grove dwaling door buitenlandse vrouwen te nemen; een nakomeling van Elam (Ezr 10:2). De Jehiël uit Ezra 10:26, wiens naam vermeld wordt in de lijst van degenen die hun buitenlandse vrouwen met hun zonen wegzonden (Ezr 10:44), is misschien dezelfde of op zijn minst ook een nakomeling van Elam.
10. Een van de priesters die zich buitenlandse vrouwen hadden genomen maar hen naderhand wegzonden. — Ezr 10:21, 44.