JARMUTH
(Ja̱rmuth) [van een grondwoord dat „hoog zijn (verheven zijn)” betekent].
1. Een van de vijf Amoritische steden die genoemd worden in verband met de strafexpeditie die tegen de Gibeonieten werd ondernomen. Piream, de koning van Jarmuth, en zijn bondgenoten werden door Jozua verslagen. Daarna werd deze in de Sjefela gelegen stad aan Juda toegewezen (Joz 10:3-5, 23-25; 12:7, 11; 15:20, 33, 35). Na de Babylonische ballingschap woonden er weer Judeeërs in Jarmuth (Ne 11:25, 29). Waarschijnlijk lag de stad in de oudheid op de plaats van het huidige Khirbet Yarmuk (Tel Yarmut), zo’n 26 km ten WZW van Jeruzalem. Aangezien Khirbet Yarmuk op de top van een heuvel ligt, kan men van daar uit de kustvlakten tot Gaza aan de Middellandse Zee overzien.
2. Een aan de Gersonieten toegewezen stad in Issaschar (Joz 21:27-29). Men neemt aan dat het dezelfde plaats is als Ramoth (1Kr 6:73) en Remeth. — Joz 19:21; zie RAMOTH nr. 1.