JIZRAHJA (Jizra̱hja) [Jah schijnt; Jah straalt]. 1. Een nakomeling van Issaschar via Tola. — 1Kr 7:1-5. 2. Een opziener van de zangers die bijdroegen tot de feestvreugde toen de muur van Jeruzalem, die onder leiding van Nehemia was herbouwd, werd ingewijd. — Ne 12:42.