HUSATHIET
(Husathi̱e̱t) [Van (behorend tot) Husa].
Een inwoner, of misschien een nakomeling, van Husa. — 2Sa 21:18; 23:8, 27; 1Kr 11:26, 29; 20:4; 27:1, 11.
Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.
Helaas was er een fout bij het laden van de video.
(Husathi̱e̱t) [Van (behorend tot) Husa].
Een inwoner, of misschien een nakomeling, van Husa. — 2Sa 21:18; 23:8, 27; 1Kr 11:26, 29; 20:4; 27:1, 11.