HATTUS
(Ha̱ttus).
1. Een hoofd van de priesters; hij behoorde tot degenen die in 537 v.G.T. met Zerubbabel uit Babylon terugkeerden. — Ne 12:1, 2, 7.
2. Zoon van Semaja; een nakomeling van David via Salomo. — 1Kr 3:1, 10, 22.
3. Het hoofd van het vaderlijk huis van de zonen van David; hij behoorde tot degenen die in 468 v.G.T. met Ezra naar Jeruzalem terugkeerden (Ezr 8:1, 2). Mogelijk dezelfde als nr. 2.
4. Zoon van Hasabneja; hij had in de dagen van Nehemia een aandeel aan het herstellen van de muur van Jeruzalem. — Ne 3:10.
5. Een priester of de voorvader van een priester, die met zijn zegel de schriftelijk vastgelegde belijdenis bekrachtigde die tijdens het stadhouderschap van Nehemia werd afgelegd. — Ne 9:38; 10:1, 4, 8.