HARUFIET
(Harufi̱e̱t) [Van (behorend tot) Haruf of Harif].
Een aanduiding die gebezigd wordt voor Sefatja, een Benjaminiet die zich te Ziklag bij David aansloot terwijl deze nog in zijn bewegingsvrijheid beperkt was wegens Saul. Dat Sefatja een Harufiet wordt genoemd, kan betekenen dat hij een inwoner van Haruf of Harif was (een plaats waarvan de ligging onbekend is), of dat hij een nakomeling van een zekere Haruf of Harif was. — 1Kr 12:1, 2, 5.