HARIF
(Ha̱rif) [Hij heeft gesmaad (gehoond)].
Hoofd van een familie van wie 112 mannelijke personen in 537 v.G.T. uit de Babylonische ballingschap terugkeerden; hij werd ook Jora genoemd (Ne 7:6, 7, 24; Ezr 2:18). Harif, kennelijk vertegenwoordigd door een nakomeling, wordt opnieuw genoemd onder de hoofden van het volk die met hun zegel de schriftelijk vastgelegde belijdenis bekrachtigden die tijdens het stadhouderschap van Nehemia werd opgesteld. — Ne 9:38; 10:1, 14, 19.