GELUK (I)
Een toestand van welzijn die wordt gekenmerkt door een betrekkelijke bestendigheid, door een gevoel dat varieert van louter tevredenheid tot diepe en intense levensvreugde, en door een natuurlijk verlangen dat dit zo mag blijven. Bijgevolg verschilt geluk van louter plezier, dat eenvoudig door een toevallige ontmoeting of een andere stimulans van buitenaf kan ontstaan.
Het Hebreeuwse woord voor „gelukkig” is ʼeʹsjer (Ps 40:4), terwijl het verwante werkwoord ʼa·sjarʹ „gelukkig prijzen” betekent (Ge 30:13). Deze Hebreeuwse uitdrukkingen worden met betrekking tot mensen gebruikt. Ze duiden vaak op het resultaat van positief handelen, zoals de geringe consideratie betonen of Jehovah vrezen (Ps 41:1; 112:1). Het Griekse woord dat met „gelukkig” wordt vertaald, is ma·kaʹri·os.
De in de Psalmen en Spreuken opgetekende gelukkigprijzingen, en vooral die welke Jezus Christus in zijn Bergrede uitsprak, worden vaak „zaligsprekingen” genoemd. De uitdrukking „gelukkigprijzingen” is echter duidelijker, want het woord „zalig” kan behalve „in de hoogste mate gelukkig” ook „het eeuwige heil deelachtig, in hemelse heerlijkheid opgenomen, overleden” betekenen. Daarom geven enkele bijbelvertalingen ʼa·sjarʹ en ma·kaʹri·os op veel plaatsen met „gelukkig” weer (GNB; LV; NW; PC; WV). Ma·kaʹri·os wordt in de Statenvertaling in Handelingen 26:2 met „gelukkig” vertaald.
Jehovah en Jezus Christus. Jehovah is „de gelukkige God” en zijn Zoon Jezus Christus wordt „de gelukkige en enige Machthebber” genoemd (1Ti 1:11; 6:15). Ondanks het feit dat door de intrede van goddeloosheid in de hemel en op aarde Jehovah’s soevereiniteit is betwist (zie JEHOVAH), is hij zeker van de verwezenlijking van zijn voornemens; er kan niets gedaan worden wat hij niet overeenkomstig zijn wil toelaat (Jes 46:10, 11; 55:10, 11). Wanneer hij in zijn lankmoedigheid bepaalde toestanden toelaat, hoewel hij ze kan veranderen, beoogt hij daarmee een bepaald doel, en daarom is hij gelukkig. De apostel Paulus schrijft: „God [heeft] . . ., ofschoon hij zijn gramschap wil tonen en zijn kracht wil bekendmaken, met veel lankmoedigheid de vaten der gramschap . . . verdragen, die voor de vernietiging geschikt zijn gemaakt, opdat hij de rijkdom van zijn heerlijkheid zou kunnen bekendmaken over de vaten van barmhartigheid, die hij tevoren heeft bereid tot heerlijkheid.” — Ro 9:22-24.
De psalmist roept dan ook uit: „De heerlijkheid van Jehovah zal tot onbepaalde tijd blijken te zijn. Jehovah zal zich over zijn werken verheugen” (Ps 104:31). Hij is de grootste en de voornaamste Gever, die altijd edelmoedig, barmhartig en liefdevol is en nooit verbitterd wordt wanneer een van zijn schepselen zich ondankbaar betoont. „Elke goede gave en elk volmaakt geschenk komt van boven, want het daalt neer van de Vader der hemelse lichten, en bij hem is geen verandering van het keren van de schaduw” (Jak 1:17). Jezus Christus, zijn Zoon, is gelukkig omdat hij volledig op zijn Vader vertrouwt en altijd datgene doet wat Hem behaagt (Jo 8:29). Zelfs onder beproevingen en lijden bezat Jezus innerlijke vreugde. — Heb 12:2; vgl. Mt 5:10-12.
Wat is de basis voor werkelijk geluk?
Elke in de bijbel beloofde staat van geluk hangt af van een goede verhouding tot God. Zo’n gelukkige toestand is alleen te verwezenlijken op basis van liefde voor God en het verrichten van getrouwe dienst voor hem. Wie Jehovah niet gehoorzaamt, kan niet werkelijk gelukkig zijn. Zijn zegen is onontbeerlijk voor geluk, want ook gelukkig zijn behoort tot zijn ’goede gaven’ en ’volmaakte geschenken’.
Geluk spruit niet voort uit het vergroten van materieel bezit of macht. Jezus zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Han 20:35). Degene die de geringe consideratie betoont en aldus ervaart dat geven gelukkig maakt, ontvangt de verzekering: „Jehovah zelf zal hem behoeden en hem in het leven houden. Hij zal gelukkig geprezen worden op de aarde” (Ps 41:1, 2). Datgene wat tot waar geluk bijdraagt, is kennis omtrent Jehovah, van hem afkomstige wijsheid, en zelfs door hem gegeven correctie en streng onderricht (Sp 2:6; 3:13, 18; Ps 94:12). Wie op Jehovah vertrouwt (Sp 16:20), een welgevallen heeft in Zijn wet en ernaar leeft (Ps 1:1, 2; 112:1), gerechtigheid in acht neemt (Ps 106:3) en God vreest (Ps 128:1), is werkelijk gelukkig.
Een gelukkige natie. Een hele natie kan gelukkig zijn wanneer ze werkelijk Jehovah tot haar God heeft en zijn wetten gehoorzaamt (Ps 33:12; 144:15). Na Davids rechtvaardige bestuur en zolang koning Salomo Jehovah’s wet gehoorzaamde, woonde de natie Israël in zekerheid en was gelukkig. De bijbel zegt: „Juda en Israël waren talrijk, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn, terwijl zij aten en dronken en zich verheugden” (1Kon 4:20, 25; 10:8; 2Kr 9:7). Hieruit blijkt wat voor invloed een rechtvaardige regering op een natie kan hebben. (Vgl. Sp 29:2, 18.) De nationalistische joden dachten dat zij op grond van hun vleselijke verwantschap met Abraham en Jakob ’de gelukkige natie’ waren „wier God Jehovah is” (Ps 33:12), maar Jezus maakte duidelijk wat werkelijk vereist wordt om als natie gelukkig te zijn. Hij gaf hun in niet mis te verstane woorden te kennen dat het koninkrijk Gods van hen weggenomen zou worden en „aan een natie [zou] worden gegeven die de vruchten daarvan voortbrengt” (Mt 21:43). De apostel Petrus paste de uitdrukking „natie” later toe op de door de geest verwekte personen die in eendracht met Christus zijn, door te zeggen: „Gij zijt ’een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit, opdat gij alom de voortreffelijkheden zoudt bekendmaken’ van degene die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht.” — 1Pe 2:9.
Christus’ raad met betrekking tot geluk. Jezus opende zijn Bergrede op indrukwekkende wijze door negen gelukkigprijzingen op te sommen, waarbij hij eigenschappen noemde die vereist zijn om Gods gunst te verwerven, met het vooruitzicht het koninkrijk der hemelen te beërven (Mt 5:1-12). Het opmerkelijke in verband met deze gelukkigprijzingen is dat het verwerven van geluk niet afhankelijk is van de tijd waarin men leeft, noch van onvoorziene gebeurtenissen, en ook niet van zuiver menslievende daden die men misschien verricht. Waar geluk spruit voort uit dingen van geestelijke aard, de aanbidding van God en de verwezenlijking van Gods beloften. Jezus zei bijvoorbeeld: „Zalig zijn de armen van geest . . .” (SV), of duidelijker weergegeven: „Gelukkig zijn zij die zich bewust zijn van hun geestelijke nood, want hun behoort het koninkrijk der hemelen toe” (Mt 5:3). Vervolgens zei hij: „Gelukkig zijn de treurenden, want zij zullen vertroost worden” (Mt 5:4). Natuurlijk had hij niet alle personen die om de een of andere reden treuren, in gedachten. Hij bedoelde personen die treurden wegens hun behoeftige geestelijke toestand, wegens hun zondigheid en de daaruit voortvloeiende bedroevende omstandigheden, en ook omdat zij hongerden en dorstten naar rechtvaardigheid. Op deze treurenden zou God acht slaan, en hij zou hen zegenen door hun geestelijke nood te lenigen, want Jezus beloofde: „Zij zullen verzadigd worden.” — Vgl. 2Kor 7:10; Jes 61:1-3; Ez 9:4.
In het boek Openbaring sprak Jezus Christus bij monde van een hemelse boodschapper zeven gelukkigprijzingen uit (Opb 1:3; 14:13; 16:15; 19:9; 20:6; 22:7; 22:14). In de inleiding verklaart het boek: „Gelukkig is hij die de woorden van deze profetie hardop leest en zijn zij die ze horen en die onderhouden al wat daarin geschreven staat” (Opb 1:3), en in het besluit wordt gezegd: „Gelukkig zijn zij die hun lange gewaden wassen, opdat hun het recht wordt verleend om naar de bomen des levens te gaan en zij ingang in de stad [het Nieuwe Jeruzalem] mogen verkrijgen door haar poorten.” — Opb 22:14.
Schep behagen in Jehovah. Samengevat is het duidelijk dat degenen die werkelijk geluk verwerven, Gods „heilige natie” zijn (1Pe 2:9), te zamen met alle anderen die zich bij die natie hebben aangesloten en die Jehovah van harte dienen en gehoorzamen. De psalmist zegt: „Verheugt u in Jehovah, o gij rechtvaardigen, en brengt dank aan zijn heilige gedachtenis” (Ps 97:12). De apostel Paulus herhaalt deze aansporing wanneer hij aan de christelijke gemeente schrijft: „Verheugt u altijd in de Heer. Nogmaals zal ik zeggen: Verheugt u!” (Fil 4:4) Dientengevolge is geluk niet gelegen in rijkdom of wijsheid, noch in prestaties of macht, maar spruit alleen voort uit kennis van Jehovah, wiens raad luidt: „De wijze beroeme zich niet op zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet op zijn sterkte. De rijke beroeme zich niet op zijn rijkdom. Maar wie zich beroemt, die beroeme zich wel hierop, dat hij inzicht heeft en kennis van mij, dat ik Jehovah ben, die liefderijke goedheid, gerechtigheid en rechtvaardigheid oefent op aarde; want in deze dingen schep ik werkelijk behagen.” — Jer 9:23, 24.