HAZEWIND
[Hebr.: zar·zirʹ moth·naʹjim].
Een zeer snelle, scherpziende hond, met een puntige snuit, een slank gestroomlijnd lichaam en lange, sterke poten. Maar over de betekenis van de Hebreeuwse uitdrukking, die letterlijk „het aan de heupen (lendenen) omgorde [dier]” betekent, bestaat aanzienlijke onzekerheid. In sommige bijbelvertalingen wordt in Spreuken 30:31 de uitdrukking „hazewind” of „windhond” gebruikt (Lu; NBG; NW; SV), maar in andere wordt gesproken over de „haan”, terwijl in de voetnoot van de Nederlandse Professorenbijbel als alternatieve vertaling ook nog „strijdros” wordt genoemd. De lezing „haan” (GNB; PB; PC; WV) vindt ondersteuning in de Griekse Septuaginta en de Latijnse Vulgaat. „Hazewind” is echter een passende vertaling, want ze strookt met de beschrijving van een dier dat zijn „schreden” goed zet (Sp 30:29). De snelheid van de hazewind is getimed op ongeveer 64 km/u. Bovendien zouden de slanke lendenen van de hazewind, alsof het dier ’aan de lendenen omgord’ is, overeenkomen met wat als de letterlijke betekenis van de Hebreeuwse benaming wordt beschouwd.