GEDOR
(Ge̱dor) [Stenen muur].
1. De zoon van Jeïël uit de stad Gibeon. Een lid van de stam Benjamin en een oudoom van koning Saul. — 1Kr 8:29-31; 9:35-39.
2. Een zoon van Pnuël uit de stam Juda. Het zou de naam van een plaats kunnen zijn. — 1Kr 4:4.
3. Een zoon van Jered, eveneens uit de stam Juda. — 1Kr 4:18.
4. Een stad in het bergland van Juda (Joz 15:48, 58). Ze wordt geïdentificeerd met Khirbet Jedur, ongeveer 12 km ten N van Hebron. Misschien wordt er ook op gedoeld in 1 Kronieken 4:18. Sommigen denken dat de vermelding, in hetzelfde vers, van Socho en Zanoah, die beide elders als namen van steden voorkomen, erop duidt dat Gedor vermoedelijk eveneens een stad is, waarvan Jered de stichter of „vader” was.
5. Een stad die in verband met de activiteiten van de Simeonieten genoemd wordt (1Kr 4:24, 39). In de Griekse Septuaginta staat hier „Gerar”. — Zie GERAR.
6. Een plaats in Benjamin (1Kr 12:1, 2, 7). Men vermoedt dat ze geïdentificeerd moet worden met Khirbet el-Gudeira, ongeveer 16 km ten NW van Jeruzalem.