VOETBANK
Een laag bankje, bedoeld als voetsteun bij het zitten. Het Hebreeuwse woord keʹvesj komt slechts eenmaal in de Schrift voor en wordt gebruikt in verband met de gouden voetbank van de troon van koning Salomo (2Kr 9:18). De Hebreeuwse uitdrukking hadhomʹ ragh·laʹjim (lett.: „bank der voeten”) komt zesmaal voor en heeft in figuurlijke zin betrekking op de tempel (1Kr 28:2; Ps 99:5; 132:7; Klg 2:1), op de aarde (Jes 66:1) en op de vijanden die door de heerschappij van de Messias volledig verpletterd zullen worden (Ps 110:1). Jakobus wijst degenen terecht die in de gemeente klassenonderscheid maken en gebruikt daarbij de illustratie van een arme tot wie wordt gezegd: „Ga daar onder aan mijn voetbank zitten” (Jak 2:3). Alle andere keren dat het woord „voetbank” in de christelijke Griekse Geschriften voorkomt, betreft het een aanhaling uit of een verwijzing naar de Hebreeuwse Geschriften. — Mt 5:35; Lu 20:43; Han 2:35; 7:49; Heb 1:13; 10:13.