EFRATHIET
(Efrathi̱e̱t).
1. Een inwoner van Bethlehem, of Efratha. — Ru 1:2; 1Sa 17:12.
2. In het Hebreeuws wordt deze uitdrukking ook gebruikt voor een lid van de stam Efraïm (Re 12:5; 1Kon 11:26) of voor iemand die in Efraïm woonde, zoals uit de geslachtslijn van de leviet Elkana blijkt (1Sa 1:1). De Statenvertaling geeft de uitdrukking in twee van deze teksten weer met „Efrathiet”.