ELJASAF
(E̱ljasaf) [God heeft toegevoegd (vermeerderd)].
1. Zoon van Dehuël (of Rehuël), uit de stam Gad; een van de twaalf oversten die door Jehovah waren uitgekozen om Mozes en Aäron te helpen het totale aantal mannen voor het leger te tellen (Nu 1:1-4, 14; 2:14). Eljasaf had de leiding over het leger van zijn stam, die deel uitmaakte van de drie-stammenafdeling van het kamp van Ruben (Nu 2:10-15; 10:18-20). Na de oprichting van de tabernakel had Eljasaf niet alleen een aandeel aan het aanbieden van de offergave die de oversten als groep brachten, maar bood hij vervolgens op de zesde dag van de inwijding van het altaar ook zijn eigen offergave aan. — Nu 7:1, 2, 10, 42-47.
2. Zoon van Laël en overste van het vaderlijk huis van de Gersonieten. Onder leiding van Eljasaf vervoerden de Gersonieten de tentbedekkingen en de afscherming voor de ingang van de tabernakel, de afscherming voor de ingang van het voorhof en de draperieën van het voorhof, alsook de tentkoorden. — Nu 3:21-26.