ELASA
(Ela̱sa) [God heeft gemaakt].
1. Zoon van Helez en vader van Sismai; een nakomeling van Juda via Jerahmeël. Een van de voorvaders van Elasa was Jarha, een Egyptische slaaf, die met de dochter van Sesan, zijn meester, trouwde. — 1Kr 2:33, 34, 39, 40.
2. Een nakomeling van Jonathan, de zoon van koning Saul. — 1Kr 8:33-37; 9:39-43.
3. De zoon van Safan die, samen met Gemarja, door Zedekia naar Nebukadnezar in Babylon werd gezonden. De profeet Jeremia zond bij deze gelegenheid door de hand van Elasa en van Gemarja zijn brief aan de ballingen in Babylon. — Jer 29:1-3.
4. Een priester van „de zonen van Pashur”; hij behoorde tot degenen die acht sloegen op Ezra’s vermaning om hun buitenlandse vrouwen weg te zenden. — Ezr 2:36, 38; 10:22, 44.