HANDWERKSMAN
Iemand die over vakmanschap of kunstvaardigheid beschikt. Het Hebreeuwse woord cha·rasjʹ wordt meestal vertaald met de algemene term „handwerksman”, maar als het in combinatie met een bepaald materiaal wordt gebruikt, wordt de uitdrukking specifieker weergegeven, bijvoorbeeld met „hout- en metaalbewerker” (De 27:15), „houtbewerkers en bewerkers van stenen” (2Sa 5:11), „kunsthandwerker in ijzer” en „kunsthandwerker in hout” (Jes 44:12, 13), ook met „smid” (1Sa 13:19) en „vervaardigers” (Jes 45:16). Dat er bij „handwerksman” aan veel gespecialiseerde beroepen gedacht kan worden, wordt verder geïllustreerd door wat wordt opgemerkt over Bezaleël, die samen met Oholiab niet alleen metalen maar ook kostbare stenen en hout bewerkte. Tevens was hij wever en verver, bedreven in „allerlei kunstvaardigheid”. — Ex 35:30-35; zie ook 2Kon 12:11, 12.
Veel ambachten, zoals het maken van gereedschap, timmeren, stenen bakken, spinnen, weven, textielbewerking, pottenbakken en het maken van sieraden, waren eens eenvoudige huishoudelijke taken die door gewone mannen of vrouwen werden verricht. Door de vestiging in gemeenschappen kwam men echter tot specialisering. Reeds voor de Vloed stonden bepaalde mannen om hun speciale vakbekwaamheid bekend (Ge 4:21, 22). Nebukadnezar voerde in 617 v.G.T. naast de vorsten en de bouwers van oorlogswerktuigen ook de handwerkslieden uit Jeruzalem in ballingschap naar Babylon (2Kon 24:14, 16; Jer 24:1; 29:2). In sommige steden woonden handwerkslieden die een bepaald beroep uitoefenden bijeen in dezelfde wijk, waar zij zich uiteindelijk verenigden in gilden en door hun beroep bekend werden; zij oefenden grote invloed uit op het maatschappelijk leven in de stad (Ne 3:8, 31, 32; 11:35; Jer 37:21; Han 19:24-41). Er zijn niet veel bijzonderheden bewaard gebleven over de manier waarop deze gespecialiseerde handwerkslieden hun werk deden; alleen de uit Egypte afkomstige teksten en kunstwerken verschaffen levendige beschrijvingen en afbeeldingen van de verschillende handwerkslieden bij hun werk.
Het in de Mozaïsche wet opgenomen verbod op afgoderij weerhield de joden van het toen gebruikelijke maken van beeldjes en dergelijke die veelal als voorwerpen van verering dienden (Ex 20:4; De 4:15-18; 27:15). Het is een feit dat in natiën als Assyrië en Babylonië de beeldenaanbidding en de beeldhouwkunst zich gelijktijdig ontwikkelden (Ps 115:2, 4-8; Jes 40:19, 20; 44:11-20; 46:1, 6, 7; Jer 10:2-5). Demetrius en zijn collega-handwerkslieden (of: kunsthandwerkers; Gr.: teʹchni·tai) in Efeze voorzagen in hun onderhoud met de vervaardiging van zilveren Artemistempeltjes. — Han 19:24-27.
Zie voor een gedetailleerde beschouwing van de verschillende ambachten op zich, artikelen als BAKSTEEN; BORDUURWERK; LEERLOOIER; METAALBEWERKER; METSELAAR; POTTENBAKKER; SNIJWERK; SPINNEN; TIMMERMAN; VERVEN; en WEVEN.