CLAN
Een grote door een gemeenschappelijke voorouder met elkaar verbonden etnische groep die qua omvang overeenkomt met een stam.
In alle drie de gevallen waar het Hebreeuwse woord ʼoem·mahʹ voorkomt, heeft het betrekking op een grote groep niet-Israëlieten en is het met „clan” vertaald. De nakomelingen van Ismaëls twaalf zonen worden bijvoorbeeld vroeg in de geschiedenis van die etnische groep als „clans” aangeduid (Ge 25:16). Dat geldt eveneens voor de nakomelingen van Midian (Nu 25:15). De uitdrukking komt ook in de Hebreeuwse dichtkunst voor, en wel in Psalm 117:1, waar ze als een parallellisme van „natiën” wordt gebruikt.
Het Hebreeuwse woord sjeʹvet, dat gewoonlijk met „stam” wordt weergegeven, wordt in Numeri 18:2 met „clan” vertaald. Dit is een uitzonderlijk geval om het onderscheid te laten uitkomen dat de Hebreeuwse tekst maakt, want in dit vers komen de twee woorden mat·tehʹ en sjeʹvet voor, die beide normaal gesproken met „stam” worden weergegeven.