KANANEEËR
(Kanane̱e̱ër) [uit het Aramees: IJveraar; Geestdriftige].
Een aanduiding waardoor de apostel Simon onderscheiden wordt van de apostel Simon Petrus (Mt 10:4; Mr 3:18). De term „Kananeeër” stamt naar men meent uit het Aramees en komt waarschijnlijk overeen met het Griekse woord ze·loʹtes, dat „ijveraar; geestdriftige” betekent. — Lu 6:15; Han 1:13.