BOCHIM
(Bo̱chim) [Wenenden].
Een plaats waar Jehovah’s engel de Israëlieten toesprak en hen terechtwees omdat zij Jehovah’s waarschuwing om geen betrekkingen aan te gaan met de heidense bewoners van het land, in de wind hadden geslagen. De naam van deze plaats is terug te voeren op het geween dat daarop onder het volk losbarstte (Re 2:1-5). De ligging is onbekend, maar de zinsnede „trok . . . van Gilgal op naar Bochim” moet op een ligging ten W van Gilgal duiden, want Gilgal bevond zich klaarblijkelijk in het laaggelegen Jordaandal.