BINNUÏ
(Bi̱nnuï) [verkorte vorm van Benaja, wat „Jehovah heeft gebouwd” betekent].
1. Een voorvader in Israël. Meer dan 600 nakomelingen van hem keerden in 537 v.G.T. naar Jeruzalem terug (Ne 7:6, 7, 15). In Ezra 2:10 wordt hij Bani genoemd.
2. Een leviet die in 537 v.G.T. met Zerubbabel terugkeerde (Ne 12:1, 8). Blijkbaar was het zijn zoon Noadja die hielp zorg te dragen voor het extra tempelgerei dat Ezra in 468 v.G.T. naar de tempel in Jeruzalem bracht. — Ezr 8:33.
3. Een van „de zonen van Pahath-Moab” die op aanmoediging van Ezra hun buitenlandse vrouwen met hun zonen wegzonden. — Ezr 10:30, 44.
4. Een Israëliet van wie verscheidene „zonen” hun buitenlandse vrouwen wegzonden. — Ezr 10:38, 44.
5. Een Israëliet die Nehemia hielp de muur van Jeruzalem te herbouwen (Ne 3:24). Deze zoon van Henadad kan dezelfde zijn als nr. 6.
6. Een van de levitische zonen van Henadad. Misschien de voorvader van een van degenen die in de dagen van Nehemia instemden met de „betrouwbare overeenkomst”; in dat geval kan hij dezelfde zijn als nr. 2 (Ne 9:38; 10:1, 9). Indien daarentegen Binnuï zelf in plaats van een van zijn nakomelingen deze overeenkomst bezegelde, kan hij dezelfde zijn als nr. 5. Of hij kan gewoon iemand anders met dezelfde naam zijn geweest.