BIGVAI
(Bi̱gvai).
1. De voorvader van zo’n 2000 „zonen van Bigvai” die in 537 v.G.T. met Zerubbabel naar Jeruzalem terugkeerden (Ezr 2:1, 2, 14; Ne 7:19). Later, in 468 v.G.T., ondernamen nog meer van zijn nakomelingen de reis met Ezra. — Ezr 8:1, 14.
2. Een van de met name genoemde vooraanstaande Israëlieten die met Zerubbabel uit Babylonische ballingschap naar Jeruzalem terugkeerden. — Ezr 2:1, 2; Ne 7:7.
3. Iemand met deze naam, of een vertegenwoordiger van de onder nr. 1 genoemde familie, die Nehemia’s „betrouwbare overeenkomst” bekrachtigde. — Ne 9:38; 10:1, 16.