BETH-HAËZEL
(Beth-Haë̱zel).
Een blijkbaar in Juda gelegen stad die alleen wordt genoemd in Micha’s profetie aangaande de rampspoed die het ontrouwe Samaria en Jeruzalem zou overkomen (Mi 1:11). De profeet maakt in dit gedeelte van de profetie de ene woordspeling na de andere op namen van verscheidene steden, zodat hij eigenlijk zegt: „Wentel u in het huis van Afra [wat waarschijnlijk „Stof” betekent] in het stof. Trek over, o inwoonster van Safir [wat „Bevallig; Blank geveegd; Aangenaam” betekent], in schandelijke naaktheid. De inwoonster van Saänan is niet uitgetrokken. Het geweeklaag van Beth-Haëzel [wat „Huis in de nabijheid (naast)” betekent] zal ulieden haar standplaats ontnemen. Want de inwoonster van Maroth [van een grondwoord dat „bitter zijn” betekent] heeft op het goede gewacht, maar het kwade is van Jehovah neergekomen tot de poort van Jeruzalem” (Mi 1:10-12). De waarschuwing die de profeet richt tot degenen die de rampspoed zullen ondergaan, komt er dus op neer dat het geweeklaag zich helemaal tot Jeruzalem zal uitbreiden.
Hoewel het geenszins vaststaat, vermoedt men dat Beth-Haëzel op de plek van het huidige Deir el-ʽAsal lag, ongeveer 16 km ten WZW van Hebron.