BESOR, STROOMDAL VAN DE
(Be̱sor).
Een stroomdal dat uitsluitend wordt genoemd in verband met Davids achtervolging van de Amalekitische roversbende die de stad Ziklag ingenomen en verbrand had (1Sa 30:1, 10, 21). Het ligt voor de hand dat de rovers daarop zuidwaarts trokken, naar de Negeb, het gebied waar zij vandaan kwamen, maar in welke richting zij precies gingen, wordt niet nader vermeld. Daarom kan het stroomdal van de Besor, de plaats waar 200 man van Davids leger uitgeput halt hielden, niet met zekerheid worden geïdentificeerd. Over het algemeen acht men het echter waarschijnlijk dat de plaats verband houdt met de Wadi Ghazzeh (Nahal Besor), een brede wadi ten ZW van Ziklag, die ten Z van Gaza in de Middellandse Zee uitmondt.
Toen David na zijn overwinning op de Amalekieten de buit deelde met de strijders die in het dal waren achtergebleven om de legertros te bewaken, handelde hij kennelijk volgens het beginsel in Numeri 31:27, dat Jehovah eerder, na de Israëlitische overwinning op Midian, had vastgesteld. Sedertdien bleef David dit gebruik „als een voorschrift en rechterlijke beslissing voor Israël” handhaven. — 1Sa 30:21-25.