Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • it-1 ‘Bed’
  • Bed

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bed
  • Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Vergelijkbare artikelen
  • Bed
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Divan
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Divan
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Bent u toe aan een nieuw bed?
    Ontwaakt! 2000
Meer weergeven
Inzicht in de Schrift, Deel 1
it-1 ‘Bed’

BED

In bijbelse tijden beschikte men evenals thans over slaapgelegenheden, die naar gelang van de welstand waarin de mensen verkeerden, hun maatschappelijke positie en de zeden en gewoonten, in soort, stijl en constructie van elkaar verschilden. Armen, herders en reizigers sliepen vaak op de grond, soms alleen maar op een mat of strozak. Heersers en rijken daarentegen hadden in hun woonhuizen zeer kostbare en rijkversierde meubelstukken.

Het gewone Hebreeuwse woord voor „bed” is misj·kavʹ, van het grondwoord sja·khavʹ (neerliggen) (Ge 49:4; Le 26:6). Het gebruikelijke Griekse woord is kliʹne, van kliʹno (neigen) (Mt 9:2; Lu 9:58, Int). Een ander Grieks woord voor „bed”, koiʹte, dat in wezen een plaats om neer te liggen betekent (Lu 11:7), wordt ook voor het „huwelijksbed” (Heb 13:4) en „ongeoorloofde gemeenschap” (Ro 13:13) gebruikt; metonymisch heeft het betrekking op zwanger worden (Ro 9:10). Andere Hebreeuwse uitdrukkingen voor plaatsen om zich neer te leggen, zijn mit·tahʹ (rustbed), ʽeʹres (divan) en ja·tsoeʹaʽ (legerstede). Het Griekse woord kra·batʹtos heeft betrekking op een draagbed (Mr 2:4). De bijbelschrijvers maakten niet altijd een onderscheid tussen deze verschillende benamingen en gebruikten dikwijls twee of meer van deze uitdrukkingen om hetzelfde voorwerp aan te duiden. Zo noemden zij een bed een divan (Job 7:13) of een draagbed (Mt 9:6; Mr 2:11) of een legerstede (Ge 49:4), en een rustbed een divan (Ps 6:6). Deze slaapgelegenheden gebruikte men ’s nachts om te slapen en overdag om een middagdutje te doen (2Sa 4:5-7; Job 33:15), als ziekbed en voor de bijslaap (Ps 41:3; Ez 23:17), en ook als rustplaats voor de doden in een luisterrijke grafstede (2Kr 16:14). De gewoonte om bij maaltijden aan te liggen, maakte rustbedden noodzakelijk (Es 7:8; Mt 26:20; Lu 22:14). Een rustbed dat speciaal was vervaardigd om iemand als een vorst rond te dragen, werd een draagstoel genoemd. — Hgl 3:7-10; zie DRAAGSTOEL.

Een bed heeft allerlei toebehoren, bijvoorbeeld een kussen. Toen Jezus de Zee van Galilea overstak, viel hij aan de achtersteven „op een kussen” in slaap (Mr 4:38). In het koudere jaargetijde gebruikte men een „geweven laken” of iets anders om zich mee toe te dekken (Jes 28:20), maar gewoonlijk sliep men in de kleren die men overdag droeg, en derhalve was het volgens de Mozaïsche wet niet geoorloofd iemands mantel na zonsondergang in bezit te houden: „Het is zijn enige bedekking. . . . Waarin zal hij zich neerleggen?” — Ex 22:26, 27.

In de Oriënt bestond een bed vaak uit niet meer dan een eenvoudige mat van stro of biezen, waar men voor wat meer gerief misschien nog een soort gestikte deken of matras overheen legde. Wanneer het bed niet werd gebruikt, rolde men het op en borg het weg. Als meer permanente inrichting gebruikte men een houten raamwerk of ledikant, zodat de slaper iets boven de grond lag (Mr 4:21). Dit soort bedden diende overdag als rustbed of divan om op te zitten. De eenvoudigste draagbedden waren licht en konden zonder moeite worden opgenomen en meegedragen. — Lu 5:18, 19; Jo 5:8; Han 5:15.

De rijken hadden bedden die elegant versierd waren met kleden van prachtig borduurwerk. „Met spreien heb ik mijn divan bedekt, met veelkleurige dingen, linnen uit Egypte. Ik heb mijn bed besprenkeld met mirre, aloë en kaneel”, zei de verleidelijke prostituée (Sp 7:16, 17). Ook de „gouden en zilveren rustbedden” van een Perzisch paleis worden genoemd, en de profeet Amos spreekt over degenen onder het opstandige volk Israël die „op een prachtig rustbed en op een Damascener divan zitten”, en over degenen die „neerliggen op ivoren rustbedden”. — Es 1:6; Am 3:12; 6:4.

Wie zich een groot huis kon veroorloven, had afzonderlijke slaapvertrekken of binnenste slaapkamers (Ex 8:3; 2Kon 6:12; 11:2). Tijdens de hete zomer diende het koelere dakterras dikwijls als slaapgelegenheid.

In de Schrift worden bedden, rustbedden en legersteden ook figuurlijk gebruikt. De toestand van de doden kan bijvoorbeeld vergeleken worden met personen die in een bed liggen (Job 17:13; Ez 32:25). Jehovah’s loyalen ’heffen een vreugdegeroep aan op hun bed’, in tegenstelling tot de eigenzinnigen die op hun bed blijven jammeren en beramen wat slecht is (Ps 149:5; Ho 7:14; Mi 2:1). Christenen mogen de heilige huwelijksregeling, „het huwelijksbed”, in geen enkel opzicht verontreinigen (Heb 13:4), en niet zijn als Ruben, die met roekeloze losbandigheid betrekkingen had met de bijvrouw van zijn vader Jakob en aldus het bed van zijn vader ontwijdde. — Ge 35:22; 49:4.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen