BASMATH
(Ba̱smath) [Welriekend; Balsemolie; Gekruid].
1. Een echtgenote van Esau. Zij was een dochter van de Hethiet Elon, zodat zij heel goed dezelfde kan zijn als Ada of de zuster van Ada was. Basmath was „een bron van bitterheid” voor Isaäk en Rebekka. — Ge 26:34, 35; 27:46; 28:8; 36:2.
2. Een andere echtgenote van Esau, misschien dezelfde als Mahalath. Zij was een dochter van Abrahams zoon Ismaël, de zuster van Nebajoth en dus een volle nicht van Esau. Esau nam haar tot vrouw nadat hij had gezien dat zijn vader misnoegd was over zijn, Esau’s, Kanaänitische vrouwen. Zij baarde Esau’s zoon Rehuël. — Ge 28:8, 9; 36:3, 4, 10.
3. Een dochter van Salomo en echtgenote van Ahimaäz, een van de gevolmachtigden die Salomo van voedsel voorzagen. — 1Kon 4:7, 15.