BAKBUKJA
(Bakbu̱kja) [Pul van Jah].
1. Een leviet die met Zerubbabel naar Jeruzalem terugkeerde en als wachter diende (Ne 12:1, 9). Misschien dezelfde als nr. 2.
2. Een levitische wachter die vermeld wordt als het hoofd van een vaderlijk huis. — Ne 12:23, 25; zie nr. 1.
3. Een leviet die mogelijk tot de zangers behoorde en werd uitgekozen om onder Nehemia in Jeruzalem te wonen. — Ne 11:17, 18.