BAÄL-MEON
(Ba̱äl-Me̱on) [verkorte vorm van Beth-Baäl-Meon].
Een belangrijke stad op de hoogvlakte van N-Moab. Ze werd samen met Nebo, Kirjathaïm en andere steden in het gebied aan de stam Ruben toegewezen (Nu 32:37, 38; 1Kr 5:8). De Rubenieten, die het gebied wegens de goede weidegronden graag wilden hebben, herbouwden de steden kennelijk en gaven er nieuwe namen aan. In de vroegere lijst in Numeri 32:3, 4 staat de naam „Behon” (of Beon) misschien voor Baäl-Meon. Later noemt Jozua deze stad Beth-Baäl-Meon, wat waarschijnlijk haar volledige naam was. — Joz 13:17.
Baäl-Meon schijnt tijdens de regering van koning Mesa van Moab, klaarblijkelijk in de tweede helft van de 10de eeuw v.G.T., door de Moabieten heroverd te zijn. De inscriptie op de Mesasteen (regel 9) luidt: „Ik bouwde [misschien: versterkte] Baäl-Meon en maakte er het reservoir”, en in regel 30 wordt de plaats aangeduid met de volledige naam Beth-Baäl-Meon. Bovendien staat op een in Samaria gevonden potscherf (Ostrakon 27 van Samaria) een zekere „Baäla de Baäl-Meoniet” vermeld.
In de 7de eeuw v.G.T. richtte de profeet Jeremia een goddelijke waarschuwing tot Moab, waarin de plundering van het land door Babylon werd voorzegd en bepaalde steden, waaronder Beth-Meon (waarschijnlijk Baäl-Meon), met name werden genoemd (Jer 48:20-23). Ezechiël rekent Baäl-Meon tot een van de Moabitische plaatsen die door de „oosterlingen” (of: „zonen van het Oosten”) in bezit genomen zouden worden (Ez 25:9, 10). De wereldlijke geschiedenis en archeologische onderzoekingen staven de vervulling van deze profetieën. — Zie MOAB, MOABIETEN nr. 2.
Baäl-Meon wordt geïdentificeerd met de ruïnes van Maʽin, die een ongeveer 6 km ten WZW van Medeba en 12 km ten O van de Dode Zee gelegen aardheuvel van behoorlijke afmetingen vormen. Maʽin ligt op een ongeveer 800 m hoog plateau.