AZRIKAM
(Azri̱kam) [Mijn hulp is opgestaan].
1. Een van Azels zes zonen, een nakomeling van koning Saul via Jonathan uit de stam Benjamin. — 1Kr 8:33-38; 9:44.
2. „De leider van de huishouding” van de goddeloze koning Achaz van Juda. Hij werd door de Efraïmiet Zichri gedood toen koning Pekah van Israël tegen Juda streed. — 2Kr 28:6, 7.
3. Een leviet uit de familie der Merarieten, wiens nakomeling Semaja na de terugkeer uit ballingschap in Jeruzalem woonde. — 1Kr 9:2, 14; Ne 11:15.
4. De als derde genoemde zoon van Nearja en een nakomeling van David. — 1Kr 3:1, 23.