ATER
(A̱ter) [Gesloten; Belemmerd].
1. Een man uit Israël van wie 98 zonen of nakomelingen in 537 v.G.T. met Zerubbabel uit Babylonische ballingschap terugkeerden (Ezr 2:1, 2, 16; Ne 7:21). Zij staan als volgt geregistreerd: „De zonen van Ater, van Hizkia: achtennegentig”, misschien om aan te duiden dat zij nakomelingen waren van Ater, die afstamde van een zekere Hizkia (maar waarschijnlijk niet de Judese koning met die naam), of dat zij Aters nakomelingen waren via een zekere Hizkia. Misschien was een nakomeling van deze Ater een van de hoofden van het volk die de „betrouwbare overeenkomst” uit Nehemia’s dagen met hun zegel bekrachtigden. — Ne 9:38; 10:1, 17.
2. Een familiehoofd wiens nageslacht behoorde tot de levitische „zonen van de poortwachters” van de tempel, die met Zerubbabel uit Babylon naar Jeruzalem terugkeerden. — Ezr 2:42; Ne 7:45.