ALFEÜS
(Alfe̱üs).
1. De vader van de apostel Mattheüs Levi, de belastinginner. — Mt 9:9; Mr 2:14.
2. De vader van Jakobus de Mindere, die vermeld staat als de negende van de twaalf apostelen (Mt 10:3; Mr 3:18; Lu 6:15; Han 1:13). Veel geleerden vinden in de overlevering steun voor de algemene opvatting dat Alfeüs dezelfde was als Klopas (Jo 19:25), in welk geval hij tevens de echtgenoot van „de andere Maria” zou zijn (Mt 27:56; 28:1; Mr 15:40; 16:1; Lu 24:10). Dit verschil in naam kan aan een andere uitspraak van het grondwoord liggen of aan het feit dat de persoon twee namen had, iets wat in die dagen heel gewoon was.