ADIËL
(Adi̱ël) [God is een sieraad].
1. De vader van Azmaveth, die door koning David over zijn koninklijke schathuis werd aangesteld. — 1Kr 27:25, 31.
2. Een van de oversten van de stam Simeon die in de 8ste eeuw v.G.T., in de dagen van koning Hizkia van Juda, meehielpen de Chamieten uit het gebied in de nabijheid van Gedor te verdrijven. — 1Kr 4:36, 38-41.
3. Een Aäronitische priester wiens vader Jahzera was en die uit het vaderlijk huis van Immer stamde. Zijn zoon Masai diende na de Babylonische ballingschap in Jeruzalem. — 1Kr 9:12.