Baby’s, bloed en AIDS
ONLANGS stond op de voorpagina van The New York Times dit tragische bericht: „Roemenië wordt bedreigd door een ongewone AIDS-epidemie onder kinderen die zich concentreert in overvolle weeshuizen en klinieken en verbreid is door de ouderwetse gewoonte om pasgeboren baby’s bloedtransfusies te geven.” — 8 februari 1990.
Klaarblijkelijk hadden sommige Roemeense artsen de gewoonte kleine hoeveelheden bloed te injecteren in de navelstreng van pasgeboren baby’s, in de hoop dat deze „microtransfusie” de groei van het kind zou stimuleren. De gewoonte is een ontstellend doeltreffende manier gebleken om AIDS te verbreiden; een halve liter besmet bloed bevat voldoende doses voor talrijke baby’s.
De Wereldgezondheidsorganisatie, die een noodteam van artsen naar Roemenië heeft gestuurd, schat het aantal Roemeense kinderen waarbij besmetting met het AIDS-virus is geconstateerd reeds op 700, terwijl daarnaast 50 kinderen aan AIDS lijden. Het hoofd van het AIDS-programma van de organisatie vertelde de Times dat het percentage AIDS-dragers onder deze kinderen een van de hoogste ter wereld is.
Onder het onlangs omvergeworpen regime Ceausescu kende Roemenië officieel geen AIDS-dreiging. Elk bericht over de verspreiding van de ziekte mocht onder geen beding uitlekken als gold het een staatsgeheim. Bloeddonors werden niet eens gescreend op AIDS. Nu is dat veranderd. Maar in de anderhalf jaar voor de revolutie kwam bij veel Roemeense artsen zelfs nooit de gedachte aan AIDS op toen zij steeds meer kinderen te zien kregen met infecties die gewoon niet over wilden gaan. Een van hen zei: „Als je wordt gezegd dat er in Roemenië zo’n virus niet is, waarom zou je er dan onderzoek naar doen?”