Hoe de oorlogsgruwel gerechtvaardigd wordt
OORLOGEN werden in 1988 in JAMA (Journal of the American Medical Association) beschreven als „de verschrikkelijkste gesel van de twintigste eeuw”. Naar schatting zijn er in deze eeuw tot dusver 90 miljoen mensen omgekomen in oorlogen. In het verleden bestond ongeveer 50 procent van de oorlogsslachtoffers uit burgers, maar dit percentage is dramatisch gestegen. In de jaren ’70 maakten burgers naar verluidt 73 procent van het aantal doden uit, en in de jaren ’80 zelfs 85 procent.
Hoe kunnen mensen zo’n massale moord op burgers rechtvaardigen? Ongeveer zoals de Amerikanen vroeger de slavernij rechtvaardigden. Zij weigerden de slachtoffers als mensen te beschouwen. Het studieboek The Sociology of Social Problems merkt op: „Het gezegde ’Alle mensen zijn gelijk geschapen’, was niet van toepassing op negers, want die waren ’bezit’, geen mensen.” In het JAMA-artikel werd opgemerkt dat de naties in dezelfde geest „het algeheel mens-zijn van de slachtoffers [loochenen] door hun identiteit typerend te beperken tot slechts één kenmerk vermeldende aanduidingen die zogenaamd een bedreiging inhouden voor de soevereiniteit van de natie: hij is geen man, vader, houtsnijder of kleine boer meer maar een bourgeois; zij is geen vrouw, studente, dochter of liefhebster van gedichten meer maar een marxist.”
De verschrikkelijke slachting is voor een groot deel te wijten aan het door de geestelijkheid gesteunde nationalisme, zoals de katholieke geschiedschrijver E. I. Watkin erkende: „Hoe de officiële theorie ook mag luiden, de praktijk wijst uit dat katholieke bisschoppen zich in oorlogstijd aan de stelregel ’Mijn land heeft altijd gelijk’ hebben gehouden. . . . Als het op oorlogszuchtig nationalisme aankomt, zijn zij een spreekbuis van caesar geweest.”
[Illustratieverantwoording op blz. 31]
U.S. Army