Waarom treft het kwaad goede mensen?
Aan de voet van de vulkaan San Salvador in El Salvador ligt het stadje San Ramón. In de ochtend van 19 september 1982 werd het getroffen door drie enorme vloedgolven van modder. De eerste van deze door zware regenval gevoede golven was bijna twee verdiepingen hoog en sleurde rotsblokken en boomstammen mee. Een 50 meter diep en 75 meter breed ravijn uitkervend, rolde ze langs de vulkaanhelling omlaag, allengs aan vaart en omvang winnend. Beneden aangekomen stortte ze zich met kracht op de eenvoudige huisjes die op haar pad lagen.
Ana’s huis bezweek in één angstaanjagend ogenblik onder de onstuitbare vloedgolf. Haar dochters grepen Ana vast en schreeuwden: „Bid voor ons!” Toen overspoelde de modder hen . . .
Door toeval bleef er vlak voor Ana’s gezicht een dakpan steken, waardoor er wat ruimte overbleef om te ademen. „Ik bleef voortdurend om hulp roepen”, zegt zij. Ongeveer vier uur later hoorden buren haar hulpgeschreeuw en begonnen zij haar uit te graven. Zij vonden haar tot aan haar oksels in de modder met de lichamen van haar dochters onder de verstikkende modder tegen haar aan gedrukt.
DE INWONERS van San Ramón waren nederige en vriendelijke mensen. Onder de doden waren een aantal opgedragen christenen, onder wie een pasgetrouwd paartje, Miguel en Cecilia, en een gezin van vijf wier lichamen in een stevige omarming werden aangetroffen.
Rampen maken echter geen onderscheid tussen goede en slechte mensen, een feit dat velen moeilijk te verenigen vinden met het geloof in een liefdevolle God. ’Wat voor God’, vragen zij, ’zou zo’n zinloze verspilling van levens toelaten? En trouwens, hoe kan een almachtige Godheid toekijken terwijl bejaarden dakloos worden, hardwerkende gezinnen alles verliezen waar zij hun hele leven lang voor hebben gespaard, jonge mannen en vrouwen in de bloei van hun leven worden geveld door dodelijke ziekten — en niets doen?’
Harold S. Kushner, een joodse rabbijn, stelde dergelijke vragen toen hij hoorde dat zijn zoon aan een zeldzame ziekte zou sterven. De verbijsterende onrechtvaardigheid ervan stelde Kushner voor een raadsel. „Ik was een goed mens geweest”, zegt hij. „Ik had getracht te doen wat juist was in de ogen van God. . . . Ik geloofde dat ik Gods wegen volgde en Zijn werk verrichtte. Hoe kon dit mijn gezin nu overkomen?” Zijn speurtocht naar antwoorden resulteerde in zijn populaire boek Als ’t kwaad goede mensen treft.
Kushner is slechts een van de vele theologen die getracht hebben een antwoord te vinden op de vraag waarom God het kwaad toelaat. In feite heeft de mens God voor het gerecht gedaagd. Welk oordeel hebben Kushner en andere theologen geveld? Zijn zij tot een rechtvaardige uitspraak gekomen?