Zijn ze „intelligent”?
DE REIGER gaat vissen met een ’kunstvlieg’ in het puntje van zijn snavel. Wanneer hij in de stroom een vis ziet, laat hij zijn kunstaas, een veertje, vallen. Als de vis wil toehappen, een flits, en de reiger heeft zijn kostje weer binnen — een staaltje vliegvissen door een professioneel visser.
Vormt dit een bewijs van intelligentie? Volgens één rapport willen geleerden intelligentie definiëren als het „bewustzijn van zichzelf als een afzonderlijk bestaand wezen in zijn omgeving, en het vermogen kennis te verwerven en op te slaan, te leren van en conclusies te trekken uit ervaringen, problemen op te lossen en doeltreffend te reageren op voortdurend veranderende omstandigheden”.
Kennelijk leerde de reiger uit vroegere ervaringen en loste hij een probleem op. Daarom zeggen wellicht sommigen op grond van deze definitie dat hij over „intelligentie” beschikt. En er kunnen nog andere voorbeelden worden aangehaald.
De honingbij is nog een schepsel dat over „intelligentie” lijkt te beschikken. Dr. James Gould van de Universiteit van Princeton, die het gedrag van honingbijen heeft onderzocht, zette voedsel voor de bijen neer maar verplaatste dat telkens wanneer de bijen naar hun korf terugvlogen. Elke verplaatsing van het voedsel was één en een kwart maal de vorige afstand tot de korf. Al gauw waren de bijen de onderzoeker te slim af. Ze bleken al rond te vliegen bij de plek waar ze het voedsel de volgende keer verwachtten aan te treffen.
Dr. Gould gelooft echter dat het bij de meeste bewijzen van dierlijke intelligentie om instinctieve handelingen gaat. Als dat zo is, kan hij dan verklaren hoe de bijen uit voorgaande gebeurtenissen een conclusie trokken? „Dat kan ik niet”, antwoordde hij, en voegde eraan toe: „Ik wou dat ze het nooit gedaan hadden!”
Of dieren nu handelen op grond van „intelligentie” of uit instinct, de vraag blijft: Wat is de bron van hun wijsheid? Alhoewel dr. Gould toegeeft dat hij er geen verklaring voor heeft, is zijn fundamentele standpunt op dit terrein: „Evolutie kan in zeer kleine hersenen zeer complex gedrag programmeren.” Maar zou het niet veel logischer zijn te concluderen dat zulk „intelligent” diergedrag het resultaat moet zijn van intelligent ontwerp in plaats van blinde evolutie? De bijbel brengt het gedrag van de vliegende schepselen in verband met de Schepper en zegt: „Vraag alstublieft de huisdieren, en ze zullen u onderrichten; ook de gevleugelde schepselen des hemels, en ze zullen het u vertellen. Wie onder al deze weet niet heel goed dat Jehovah’s hand zelf dit heeft gedaan?” — Job 12:7, 9; zie ook Spreuken 30:24-28.
Wat zullen deze dieren u vertellen? Als ze konden spreken, zouden ze zeggen: ’De Schepper kan in zeer kleine hersenen zeer complex gedrag programmeren.’ Terwijl evolutionisten wellicht wensten dat de dieren zulke verbijsterende dingen „nooit gedaan hadden”, schrijft de bijbel de door zulke schepselen getoonde wijsheid — aangeleerd of instinctief — toe aan hun Maker, Jehovah God. — Genesis 1:20-22; Romeinen 1:20.