Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g86 22/11 blz. 23-27
  • Een uitvinder doet zijn grootste ontdekking

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een uitvinder doet zijn grootste ontdekking
  • Ontwaakt! 1986
  • Vergelijkbare artikelen
  • Tovenaars noch goden
    Ontwaakt! 1994
  • Een werkelijk doel in het leven vinden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Als een geliefd familielid sterft
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Mijn brandende verlangen om God te dienen
    Ontwaakt! 1992
Meer weergeven
Ontwaakt! 1986
g86 22/11 blz. 23-27

Een uitvinder doet zijn grootste ontdekking

DE PROTESTANTSE opwekkingsbijeenkomst bereikte haar hoogtepunt. Met gedreven welsprekendheid beschreef de gastpredikant de afgrijselijke verschrikkingen van een brandende hel waarin de goddelozen voor eeuwig geroosterd zouden worden. Zijn dramatische beschrijving hield zijn toehoorders voor het merendeel ademloos gevangen. Toen vielen zijn priemende ogen op twee lachende knulletjes — mijn neefje en mij! Zijn welsprekendheid ging over in woede en hij stortte een stroom van verwensingen over ons uit. Wij waren echter niet oneerbiedig. Wij betwijfelden alleen maar of God zo’n barbaarse wreedaard kon zijn als deze predikant zei.

En het verontrustte mij dat onze kerk niet vervolgd werd. „Waarom worden wij niet vervolgd?” vroeg ik dikwijls aan mijn moeder. „Jezus zei: ’Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen.’ Maar wij worden helemaal niet vervolgd!” — Johannes 15:20.

Ik ben in 1911 in Stoutsville (Ohio, VS) geboren. Sommigen zullen misschien vinden dat ik een eenzame jeugd heb gehad. Ik had geen broers of zusters van ongeveer mijn leeftijd. Met de kinderen uit de buurt mocht ik niet spelen. „Ze gebruiken lelijke woorden”, zei mijn moeder. Zij had helemaal gelijk, het was zo. Maar ik voelde mij nooit eenzaam. Ik had thuis de nodige taken. Ik vond het prachtig dingen uit te vinden. Ik maakte mijn eigen speelgoed. Ik zette een papierfabriekje op en maakte mijn eigen papier en enveloppen. Ik bouwde mijn eigen radio, waarmee ik uitzendingen uit Cuba kon opvangen.

Ik deed allerlei karweitjes om het geld voor mijn projecten te verdienen. Ik had een wasserijroute, stak ’s winters de kachel in de kerk aan en luidde op zondag de grote kerkklok — mannenwerk voor een ondermaats ventje. Ik moest opspringen en het touw grijpen en eraan gaan hangen om de klok aan het luiden te brengen en vervolgens weer mijn volle gewicht gebruiken om het luiden te doen ophouden.

Ik was ook verzot op lezen. Onze boekenkast bevatte maar een paar boeken, maar de bijbel lag altijd op tafel. Ik had een brandend verlangen om die te begrijpen. Vooral de Evangeliën en Openbaring las ik telkens en telkens opnieuw. O, wat hunkerde ik ernaar te weten wat God ons in de Openbaring vertelde! Mijn belangstelling voor de bijbel werd nog eens krachtig aangewakkerd toen de zondagsschoolonderwijzeres een gratis bijbel uitloofde voor iedereen die de dertig door haar uitgekozen bijbelteksten uit het hoofd leerde. Ik deed het en werd de trotse eigenaar van mijn eigen bijbel.

Eén schriftplaats op haar lijst is mij door de jaren heen bijgebleven — Psalm 34:7: „De engel des HEREN legert zich rondom degenen die hem vrezen, en bevrijdt hen” (King James Version). Mijn eerste herinnering aan die tekst dateert uit de tijd toen ik negen jaar was en een dubbele longontsteking had. Een paar jaar tevoren was mijn kleine zusje daaraan gestorven. Er waren in die tijd geen antibiotica, en het zag er dan ook naar uit dat ik haar achterna zou gaan. Ik hoorde de dokter tegen mijn moeder fluisteren dat mijn dood ophanden was. „Maar”, zo voegde hij eraan toe, „als hij het nog twee uur volhoudt, is er een kans dat hij het haalt.” Ik heb het nog twee uur volgehouden, en inmiddels nog enige honderdduizenden uren langer.

Enkele jaren hierna kwam onze predikant bij ons op bezoek. Hij vertelde dat hij een exemplaar van de American Standard Version van de bijbel in de uitgave van 1911 in handen had gekregen. Toen zei hij iets wat mij de oren deed spitsen. „In het hele Oude Testament wordt Gods naam, Jehovah, gebruikt.” Heeft God een naam? Heet hij Jehovah? Wat was ik opgewonden dit te horen, maar tot mijn teleurstelling hoorde ik mijn moeder zeggen: „Ik vind ’God’ mooier.” Ik had zoveel belangstelling voor de bijbel dat ik predikant wilde worden, maar ik kon mij niet verenigen met de leer van onze kerk. Daarom ging ik naar de universiteit om natuurwetenschappen te studeren.

Aan mijn universitaire loopbaan kwam bijna al een eind voordat ik eraan begonnen was. Ik kocht een motorfiets om goedkoop vervoer te hebben, en terwijl ik met mijn kamergenoot naar college reed, stuitte ik plotseling op een stilstaande vrachtwagen. Ik week uit om hem niet te raken en zeilde een twaalf meter hoge rots af. Tot op de huidige dag kan ik als ik mijn ogen dichtdoe, het rotsachtige ravijn op mij af zien komen.

Uit de toegestroomde menigte liep iemand, een lange vreemdeling in het zwart, naar mij toe en deed op sombere toon een uitspraak die een onuitwisbare indruk heeft gemaakt: „Uw God heeft u vandaag gered. Onderzoek wie hij is en ga hem dienen.” Abrupt draaide hij zich om en liet mij vol vragen achter.

Na mijn graad aan de universiteit behaald te hebben, kreeg ik een bestuursfunctie in het onderwijs. Eens moest ik uit honderd sollicitanten een nieuwe onderwijskracht kiezen. Tussen de sollicitaties zag ik een foto die mij op het idee bracht dat ik naar mijn levensgezellin zat te kijken. Ik beval haar aan als onderwijzeres. Zij heette Roberta. Binnen een jaar was ik met haar getrouwd. Zij is mijn levensgezellin geworden. En bovendien heeft zij veel bijgedragen tot de vervulling van mijn hartewens uit mijn kinderjaren, namelijk de bijbel te begrijpen.

Ik werkte voor mijn doctorstitel in de natuurwetenschappen aan de Ohio State University, maar ik was mijn liefde voor God en de bijbel niet vergeten. Ik las nog steeds af en toe in de bijbel, zonder er echter veel van te begrijpen. In 1944 werd dit echter anders. Er kwam een dame aan de deur en Roberta nam een religieus boek met de titel Kinderen van haar. Aan de hand van dat boek begon de dame een studie met mijn vrouw.

„Maak een eind aan die studie!” beval ik mijn vrouw toen ik ontdekte dat het van Jehovah’s Getuigen uitging. „Dat zijn geen goede mensen. Die weigeren voor hun land te vechten.”

Maar Roberta maakte geen eind aan de studie. Daarom besloot ik de zaak eens te onderzoeken. Tot mijn verbazing vernam ik dat de hel niet heet, de ziel niet onsterfelijk en de Drieëenheid niet waar is (Psalm 16:10; Ezechiël 18:4; Jona 2:2; Johannes 14:28). God is één God en zijn naam is Jehovah, de naam waarbij ik zo lang geleden mijn oren had gespitst. Hoe verder ik met mijn onderzoek ging, des te meer vielen mij de schellen van de ogen. Ik had de God gevonden van wie de vreemdeling in het zwart had gezegd dat ik hem moest ontdekken en dienen. Dit was een God aan wie ik mijn leven kon opdragen. Geen barbaarse wreedaard die mensen tot in alle eeuwigheid folterde in vuur en zwavel. Geen bedrieger die beloofde dat de zachtmoedigen de aarde zouden beërven en die haar vervolgens in plaats daarvan met vuur zou verbranden. — Prediker 1:4; 9:5, 10; Romeinen 6:23.

Roberta en ik waren het met elkaar eens dat wij de parel van grote waarde hadden gevonden (Matthéüs 13:45, 46). In 1945 werden wij beiden gedoopt als symbool dat wij ons leven hadden opgedragen om als Jehovah’s Getuigen Gods wil te doen. Ik zag af van mijn studie voor de doctorstitel en mijn plannen om hoogleraar te worden. Ik kreeg werk in een groot instituut voor wetenschappelijk onderzoek en begon aan een loopbaan als uitvinder. Mijn beide kinderliefdes waren weer opgedoken — dingen uitvinden en de bijbel begrijpen.

Met het verstrijken der jaren dienden zich vele interessante projecten aan. Een daarvan had te maken met helikopters. Als de wieken te snel roteren, ontwikkelt zich turbulentie en dan krijg je verlies van draagkracht en val je als een baksteen. Er moest iets op gevonden worden om dit te voorkomen. Ik vond een piepklein drukmetertje uit van slechts 0,020 inch dik. Naar dit ontwerp gemaakte metertjes werden op de oppervlakte van de propellerbladen geplaatst. Terwijl de wieken draaiden, gaven de metertjes de verschillende waarden van de druk op de bladen aan. Deze belangrijke informatie hielp de ontwerpers het probleem te corrigeren en het wegvallen van de draagkracht te voorkomen. Deze uitvinding trok in de hele wereld de aandacht.

Deze minuscule drukmetertjes werden tevens voor medische doeleinden gebruikt. Soms krijgen mensen medicijnen voor het hart, terwijl het werkelijke probleem wordt gevormd door krampen van de slokdarm. Beide aandoeningen veroorzaken pijn in de borst en de linkerarm. Er wordt een met drie van deze minuscule druksensoren uitgerust slangetje in de slokdarm gebracht, en dit instrument vertelt of de pijn veroorzaakt wordt door spasmen van de slokdarm. Vanuit de slokdarm kan men er ook de hartslag mee meten, en door de druk in de longen bij het uitademen te meten kan er emfyseem mee worden ontdekt en kan zelfs de omvang daarvan worden vastgesteld. Deze oesophageale-motiliteitssonde, zoals ze werd genoemd, werd in ziekenhuizen gebruikt en in de gehele wereld gedemonstreerd.

Deze drukmeters worden tevens gebruikt om druk in de hersenen te meten wanneer zich daar een zwelling voordoet. Tegen het hoornvlies van het oog gedrukt, meten ze de drukverschillen terwijl het hart slaat, en die veranderingen weerspiegelen de druk in de halsslagaders en men kan er een gedeeltelijke blokkade mee ontdekken.

Een ander project betrof de instrumentatie van verlostangen. Als de forceps van meetinstrumentjes voorzien is, kan de arts aflezen hoeveel druk hij op het foetale hoofdje uitoefent.

Op een keer zei een arts dat hij wel eens zou willen zien wat er in de bronchiën gebeurt als er rook wordt geïnhaleerd. Dit werd mogelijk gemaakt met behulp van een vezeloptiek. Het ontwerp werd uitgewerkt door een collega, Samuel Chambers (ook een van Jehovah’s Getuigen). Het instrument werd gebouwd en in de bronchiën gebracht. Wij konden zien hoe de fijne trilhaartjes, de cilia, zich heen en weer bewogen en de bronchiën zuiverden van kleine deeltjes. Maar toen er rook werd geïnhaleerd en deze rook de trilhaartjes raakte, hielden ze op met bewegen! De rook verlamde het natuurlijke mechanisme voor het reinigen van de bronchiën.

Samen met Chambers ontwikkelde ik ook een speciaal soort pacemaker. Die werd in het hart ingebracht en mat de druk binnen het hart terwijl het instrumentje gelijktijdig het hart aandreef. Er kon ook een medicijn mee in het hart geïnjecteerd worden of een bloedmonster mee genomen worden. Het werd in ziekenhuizen gebruikt.

Op een keer schreef ik een reeks artikelen over nieuwe methoden om mechanische spanningen op structuren te meten. De artikelen, geschreven voor het uitgevershuis McGraw-Hill, trokken nogal wat aandacht en werden uiteindelijk uitgebracht als een boek dat een tijdlang als studieboek aan universiteiten werd gebruikt.

Omstreeks de tijd dat ik hieraan werkte, sprak ik met een arts in het ziekenhuis van de Ohio State University over bloedtransfusies. Hij liet zich schamper uit over Jehovah’s Getuigen en noemde hen nullen en uitte de beschuldiging dat in de door het Wachttorengenootschap uitgegeven Bloed-brochure een citaat van een arts verkeerd was weergegeven.

„U hoeft mij niets te vertellen over verkeerd gebruikte citaten, dokter!” riep ik uit. „Ik weet wat correct en niet correct citeren is. Ik publiceer zelf elke maand materiaal. Die dokter werd niet verkeerd geciteerd, en dat weet u heel goed!” Ik was ietwat verhit en vervolgde: „Jullie artsen kunnen George Washington wel vermoord hebben door hem bloed af te tappen, en nu vermoorden jullie mensen door besmet bloed in hun lijf te stoppen!” En daarop hebben wij een allerplezierigst gesprek gehad.

Nog zo’n geval. Een bejaarde vrouw, een van Jehovah’s Getuigen, kreeg een auto-ongeluk en werd naar het ziekenhuis van de Ohio State University gebracht. Daar probeerde een arts haar over te halen om een bloedtransfusie te nemen. Ik werd erbij geroepen om met hem te redeneren maar hij schoof mijn argumenten terzijde met kleinerende opmerkingen over Getuigen die niets van medische zaken afwisten en die artsen de wet wilden voorschrijven.

„Weet u iets af van de oesophagus-sonde?” vroeg ik. Ik vertelde hem dat ik dat instrument had uitgevonden en vroeger eens met een groep van de ziekenhuisstaf tijdens een van hun stafvergaderingen over het gebruik ervan had gesproken. Zijn houding veranderde aanmerkelijk en de spanning verminderde.

Ik heb een aandeel gehad aan de oplossing van een moeilijk probleem in het ruimtevaartprogramma. De NASA moest iets hebben om de druk in de neus van raketten te meten. De temperatuur daarin kan die van de oppervlakte van de zon benaderen. Andere meetsensoren hadden blijkbaar niet goed gefunctioneerd.

Mijn baas en ik begaven ons naar Huntsville in Alabama (VS), waar wetenschappelijk speurwerk op het gebied van raketten werd verricht. Daar ontmoetten wij een Duitser, die de leiding had over dit project. Hij kwam de kamer binnen en zei abrupt: „En hoe gaan jullie het doen?” Een inleidend gesprekje kon er niet af.

Hij verzocht mij ons idee uiteen te zetten. Wij wilden een kleine druksensor vervaardigen waaraan het gebruik van een onbrandbare vloeistof te pas moest komen die de sensor koel zou houden.

„Dat werkt wel”, zei de Duitser. De bespreking was afgelopen — de kortste die ik ooit had bijgewoond! Het instrument werd gemaakt, het werkte, en ik deelde in een door de NASA uitgeloofde prijs. Gedurende mijn 25 jaar wetenschappelijk onderzoek heb ik meer dan 30 patenten op mijn naam gekregen.

Mijn grootste ontdekking van allemaal heb ik echter niet als uitvinder gedaan. Die deed ik toen ik de identiteit van de ware God, Jehovah, herontdekte en tevens leerde beseffen wat die naam allemaal betekende (Psalm 83:18). Ik vertelde mijn collega’s over hem. Ik leidde huisbijbelstudies met sommigen van hen en hun gezinnen. Op een van die studies waren 17 aanwezigen en bij een andere 19.

Vrijwel iedereen op mijn werk wist dat ik een van Jehovah’s Getuigen was. Tijdens mijn lunchuur probeerde ik steeds naast iemand anders te gaan zitten om hem getuigenis te kunnen geven. Op een dag vroeg ik een man: „Hebt u er bezwaar tegen als ik hier kom zitten?” „Inderdaad!” antwoordde hij. Ik glimlachte onwillekeurig. Hij had over mij gehoord en voelde er blijkbaar niets voor getuigenis te krijgen.

Eens bezocht de gouverneur van Ohio de plaats waar ik werkte en kreeg ik de toewijzing om mij met hem te onderhouden. Dat bleek mij goed van pas te komen. Ik had een studie in de strengst bewaakte strafgevangenis van de deelstaat Ohio en bij één gelegenheid wilde de protestantse gevangenispredikant mij beletten een gevangene te dopen met wie ik de bijbel bestudeerde. Ik zei tegen hem: „Weet u, ik heb vorige week nog met de gouverneur gesproken. Ik denk dat u binnenkort hulp nodig zult hebben.” Op slag draaide hij bij: „Wacht eens even!” zei hij. „We zullen het regelen!” Dat deed hij en ik mocht naar binnen om mijn bijbelstudent te bezoeken.

Toen wij voor het eerst de Koninkrijkszaal in Columbus bezochten, waren er twee gemeenten. Vijfentwintig jaar later waren er 24. In die tijd diende ik als stadsopziener. Een gedenkwaardige ervaring was de bouw van een congreshal in dat gebied. Ik studeerde met Norman Watson en vertelde hem op een dag dat wij een terrein nodig hadden voor een congreshal.

„Laten we eens naar wat grond gaan kijken”, zei hij onmiddellijk. Hij liet mij verschillende terreinen zien en vroeg: „Welk wil je hebben?” Hij schonk ons een prachtig stuk grond in London (Ohio). Later werd hij gedoopt.

Het kostte ons veertien maanden om de congreshal te bouwen. Iedere week kwamen wij als bouwcomité bij elkaar om ons geld te tellen. Hadden wij genoeg om nog een week door te gaan? Iedere week werd dit gedaan en iedere week had Jehovah voorzien in voldoende om met de bouw door te gaan. Broeder Knorr en broeder Suiter kwamen over van het hoofdbureau in Brooklyn om een aandeel te hebben aan het inwijdingsprogramma.

Roberta en ik hebben vele gelukkige jaren gehad doordat wij anderen konden helpen Jehovah te leren kennen. Een van de eersten met wie wij de waarheid deelden — en dat schonk mij een heel bijzondere vreugde — was mijn neef Vaughn Crites. Samen met hem had ik mij zoveel jaren geleden de toorn van de opwekkingspredikant op de hals gehaald, toen wij lachten om zijn leugens over het hellevuur waarmee hij onze liefdevolle God, Jehovah, belasterde. Ook mijn moeder heeft op haar oude dag Gods naam Jehovah leren liefhebben. Zij stierf na op 90-jarige leeftijd uiting te hebben gegeven aan haar verlangen een Getuige te worden. En thans genieten Roberta en ik het voorrecht te zamen met de gemeente in Sebring (Florida, VS) Jehovah te dienen.

Eindelijk is de zorg uit mijn kinderjaren voorbij, dat ik niet tot een religie behoorde die werd vervolgd. Op veel plaatsen in de hele wereld worden de Getuigen vervolgd. En terzelfder tijd ervaren zij de waarheid van de tekst die ik als kleine jongen leerde: „De engel van Jehovah legert zich rondom degenen die hem vrezen, en hij verlost hen.” — Zoals verteld door Nelson Crites.

[Inzet op blz. 24]

„Uw God heeft u vandaag gered. Onderzoek wie hij is en ga hem dienen”

[Inzet op blz. 25]

„Maak een eind aan die studie!” beval ik mijn vrouw toen ik ontdekte dat het van Jehovah’s Getuigen uitging

[Inzet op blz. 26]

De rook verlamde het natuurlijke mechanisme voor het reinigen van de bronchiën!

[Inzet op blz. 26]

Het instrument werd gemaakt, het werkte, en ik deelde in een door de NASA uitgeloofde prijs

[Illustratie op blz. 23]

Nelson Crites met drukmeter

[Illustratie op blz. 27]

Nelson studerend met zijn vrouw Roberta

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen