Het heilige blad dat aansloeg
Drie eeuwen lang was tabak voor Europeanen een geneesmiddel. Artsen schreven het kruid voor bij kwalen variërend van slechte adem tot eksterogen. Het begon allemaal in 1492 toen Columbus en zijn bemanning, de eerste Europeanen die tabak zagen, Westindische eilandbewoners bij stamrituelen een primitief soort sigaren zagen roken.
Lang vóór Columbus beschouwden bijna alle vroege volken van Noord- en Zuid-Amerika tabak als heilig. Oorspronkelijk was roken een recht en functie van de toverdokters en priesters. Zij gebruikten het narcotische effect om tijdens plechtige stamrituelen visioenen op te roepen. „Tabak stond nauw in verband met hun goden,” verklaart de historicus W. F. Axton, „niet alleen bij hun religieuze vieringen, maar ook bij hun heelkundige methoden of geneeswijzen, die alle op een of andere wijze verband hielden met hun religie.” Het medicinale gebruik van tabak was dan wel het eerste wat de aandacht trok van de Spaanse en Portugese ontdekkingsreizigers, het gebruik als genotmiddel volgde spoedig daarop.
„Ik neem nog een sigaret/En vervloek Sir Walter Raleigh”, zongen de Beatles John Lennon en Paul McCartney. Sir Walter, de „bekendste propagandist onder de Engelsen voor de pijp als genotmiddel”, kweekte tabak op zijn landgoed in Ierland. Hij deed zijn best om de gewoonte ingang te doen vinden in de hogere kringen. Zijn tijd vooruit, doet hij ons denken aan de tabaksindustrieel en de reclameman van onze ’eeuw van de sigaret’.
Maar het was de Dertigjarige Oorlog in Europa, niet Sir Walters charme, die de zeventiende eeuw tot de „eeuw van de pijp” maakte, zegt Jerome E. Brooks. „Voornamelijk door toedoen van de oorlog”, zo beweert hij, „verbreidde de rookgewoonte zich over het hele continent”, en vond ze haar weg naar Azië en Afrika. Een soortgelijke ontwikkeling zou het begin van het sigarettentijdperk inluiden.