Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g85 22/1 blz. 24-27
  • Nu ben ik bezig een betere naam op te bouwen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Nu ben ik bezig een betere naam op te bouwen
  • Ontwaakt! 1985
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • De Braziliaanse indianen — Met uitsterven bedreigd?
    Ontwaakt! 2007
  • Wat gebeurt er met de Indianen van Brazilië?
    Ontwaakt! 1972
  • De Indianen van Panama — Een glimp van het verleden
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
Ontwaakt! 1985
g85 22/1 blz. 24-27

Nu ben ik bezig een betere naam op te bouwen

Zoals verteld door het Indiaanse opperhoofd William Jeffrey

HET Museum van Noordelijk Brits Columbia (Canada) publiceerde in 1982 het boekje Totem Poles of Prince Rupert. Er staan 22 totempalen in afgebeeld, en daarvan zijn er 15 door mij gesneden. In Prince Rupert bevindt zich een van de grootste verzamelingen totempalen, in hoogte variërend van 10 tot 20 meter, en meer dan 20 zijn van mijn hand.

Ik ben echter pas na mijn pensionering in 1960 al mijn tijd aan het snijden van totempalen gaan besteden, en hoofdzakelijk ging het om vervanging van exemplaren die door verwering en verrotting verloren waren gegaan. Ik sneed palen voor musea over de hele wereld en voor speciale collecties zoals die in Prince Rupert. Ofschoon men veel palen voor duizend dollar per stuk zou kunnen kopen, brachten de mijne vanwege hun kwaliteit $12.000 of meer op. Uit vele inzendingen werd een van mijn palen uitgekozen als gedenkteken van het honderdjarig bestaan van Brits Columbia (1871-1971). Uit een stuk jade sneed ik een totempaal van 56 centimeter lengte. Ik deed er negen maanden over, de geschatte waarde is $75.000 en hij staat nu in Birks (Vancouver) tentoongesteld.

Ik heb mijzelf dus reeds een naam verworven als meestersnijder van totempalen. Maar nu ben ik bezig een betere naam op te bouwen.

Laat ik bij het begin beginnen — een begin dat op zich al ongewoon was. Ik ben in 1899 geboren, net ten noorden van het dorp Port Simpson in Brits Columbia. Mijn ouders waren niet alleen Indianen van het Chimmesyan-volk, maar zij kwamen ook uit een geslacht van stamhoofden. Dit deed mij in aanmerking komen voor de positie van erfelijk groot opperhoofd. Ik werd door mijn grootouders opgevoed — mijn vader was tijdens de jacht gestorven toen hij van een rots viel. Ik kan mij herinneren dat mijn grootvader mij, toen ik nog maar een knaapje was, een beitel in mijn hand stopte, mij wat hout gaf en mij met houtsnijden liet beginnen. Van hem ontving ik wat onderricht in het snijden van totempalen. Ik bleek er aanleg voor te hebben, maar het eerder genoemde serieuze werk zou nog vele jaren moeten wachten.

Nadat mijn grootouders waren gestorven, ging ik naar een kostschool voor weeskinderen en later, van 1914 tot 1917, ging ik naar een speciaal voor Indianen bestemde school, waar ik ook intern was. Ik wilde verder leren en advocaat worden, maar als Indianen naar de universiteit wilden, kon dat alleen voor een studie voor predikant. Ziet u, tegen deze tijd had men de Indianen in reservaten gestopt, en deze reservaten werden als speelkaarten uitgedeeld aan de verschillende kerken — een voor de methodisten, een andere voor de United Church, een andere voor het Leger des Heils, weer een andere voor de katholieken, enzovoort. De mijne werd overgedragen aan de methodisten. Elk reservaat had zijn eigen parochieschool. De onderwijzers waren niet echt op hun taak berekend, het onderwijs was van slechte kwaliteit en in die tijd mochten Indianen geen openbare scholen bezoeken.

Ik wilde deze beperkingen opgeheven zien. Met dit in gedachten richtten drie andere Indianen en ik in 1930 de Broederschap van Inheemse Indianen van Brits Columbia op. Als vertegenwoordiger van deze broederschap begon ik in het parlement van Ottawa te onderhandelen over Indiaanse vraagstukken. Alvorens te gaan, verzamelde ik feiten over de stand van zaken onder de Indianen in Brits Columbia — feiten over de behandeling van Indianen in ziekenhuizen, omstandigheden op hun scholen, wat de kerken voor hen deden, banen die er voor hen beschikbaar waren, de behoefte aan geschikte bejaardentehuizen, de erfelijke landrechten van Indianen, zelfs de discriminatie die zij ondervonden als zij een jacht- of visvergunning trachtten te verkrijgen.

Toen ik in 1940 in het Lagerhuis verscheen was Zijne Excellentie Crerar minister van Indiaanse Zaken. Religieuze denominaties in Canada hadden een rapport ingediend waarin werd beweerd dat Indianen niet konden leren.

Ik gaf voorbeelden van Indianen die op allerlei terreinen door hun bekwaamheid een vooraanstaande positie hadden bereikt en vervolgde: „Zonder dat wij daarover werden geraadpleegd, nam u ons land weg en stopte u ons in reservaten. U gaf ons religie, en de geestelijken daarvan verbrandden onze totempalen, zeggend dat wij ze aanbaden. Dat was helemaal niet waar, want het waren onze monumenten en onze merktekens. U hebt ze verwijderd en ons land gestolen. U gaf ons de bijbel — er is niets verkeerds aan de bijbel — maar u misbruikte die en leefde er zelf niet naar.”

Spoedig kwamen er veranderingen. Indiaanse kinderen mochten in heel Canada openbare scholen bezoeken en doorleren aan de universiteiten. Andere rechten voor Indianen volgden — jacht- en visvergunningen, bevoegdheid om over hun visprijzen te onderhandelen, betere werkomstandigheden in conservenfabrieken, vakopleidingsprogramma’s en andere.

Mijn laatste onderhandelingen gingen over grondbezit, over een schikking voor de Indianen die van hun land waren beroofd en in reservaten waren bijeengedreven. Tot op de huidige dag is er geen concrete overeenstemming bereikt over deze kwestie tussen Ottawa en de inheemse Indianen.

Al een aantal jaren had ik horen spreken over een andere regering, die vrede en gerechtigheid zal brengen voor mensen van alle rassen en nationaliteiten, mensen uit alle geloven, mensen van elke huidkleur.

Ik hoorde deze boodschap voor het eerst in 1930. Ik woonde toen in Kispiox en ging net het huis uit, aktentas in mijn hand, op weg om de Broederschap te vertegenwoordigen en te vechten voor de rechten van de Indianen. Frank Franske kwam op mij af en zei: „Wilt u de waarheid leren kennen die u vrij zal maken?” Hij begon mij getuigenis te geven. Hij was een reizend vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen. Tien jaar later woonde ik in Port Edward, en een Getuige genaamd Leonard Seiman studeerde wekelijks de bijbel met mijn gezin. Hij moest 19 kilometer komen lopen, met zijn terugweg mee in totaal 38 kilometer, maar hij liet geen week verstek gaan! Ten slotte werd mijn vrouw een Getuige, evenals enkele van mijn zoons en dochters. Ik leverde de boten en het voedsel voor de reizende opzieners die langs de kust predikten.

Nu had ik zo’n 30 jaar lang allerlei soorten werk gedaan — gejaagd, gevist, vallen gezet, in de mijnen gewerkt, boomstammen getransporteerd, gewerkt in een houtzagerij, als bouwopzichter, in andere baantjes — alles om mijn gezin, een vrouw, zes zoons en vier dochters, te kunnen onderhouden. Te zamen met het werk voor de Broederschap had dit al mijn tijd opgeslokt. Maar nu, in 1953, werd ik uiteindelijk gedoopt. In dat jaar was ik aanwezig bij een internationaal congres van Jehovah’s Getuigen in het Yankee Stadium. Voor het eerst zag ik een werkelijke broederschap — alle rassen vredig vergaderd, geen vooroordeel vanwege huidkleur, een ware eenheid.

Vanaf die tijd was het voor mij volle kracht vooruit. Ik predikte tot iedereen die wilde luisteren, in het bijzonder tot mijn rasgenoten. Per boot nam ik mijn gezin mee naar geïsoleerde Indiaanse dorpen langs de kust van Prince Rupert, terwijl wij het goede nieuws van Gods koninkrijk predikten. De daaropvolgende jaren verliepen niet probleemloos. In één dorp kreeg mijn vrouw Elsie een beroerte en ik vloog met haar naar een ziekenhuis in Prince Rupert. Terwijl ik in het noorden van Vancouver aan het prediken was, werd ik door een Dobermannpinscher aangevallen en verloor ik het licht in mijn linkeroog. Bij een auto-ongeluk kon mijn zoon George mij nog net uit de auto trekken voordat die ontplofte — mijn beide benen en mijn sleutelbeen waren gebroken. Die kwetsuren beperkten mij in mijn predikingswerk van huis tot huis.

Na de dood van Elsie trouwde ik met Juana, mijn huidige vrouw. Nu verrichten wij elke morgen getuigeniswerk op straat. In de middagen schrijf ik brieven en ik verstuur elke maand 192 tijdschriften per post. Deze bezigheden plus dan wat ik in de van-huis-tot-huisprediking kan doen, komen neer op 60 tot 100 uur per maand.

Van tijd tot tijd ga ik de reservaten in het zuiden, midden, en noorden van Brits Columbia binnen waar ik de Indianen getuigenis geef en honderden boeken en tijdschriften achterlaat die vertellen over Gods koninkrijk als hun enige hoop op rechtvaardigheid en eeuwig leven op een paradijsaarde. Gewoonlijk krijgen Jehovah’s Getuigen geen toegang tot deze reservaten om te prediken. De kerken die aan de reservaten zijn toegewezen, weigeren hen binnen te laten. Maar mij kunnen ze de toegang niet weigeren. Ik ben niet alleen Indiaan, maar ik ben ook het hoogste opperhoofd. In 1982 legden mijn dochter en ik bij het prediken in de reservaten 3200 km af. In 1983, en opnieuw in het afgelopen jaar, ging ik naar binnen, en ik nam drie van mijn gezinsleden met mij mee.

In het verleden heb ik naam gemaakt met het snijden van totempalen. Nu streef ik ernaar bij Jehovah een goede naam op te bouwen die hij zich zal herinneren, een die de beloning met zich zal brengen van eeuwig leven op een nieuwe paradijsaarde waar miljoenen mensen uit „alle natiën en stammen en volken en talen” zich zullen verenigen om Jehovah en Jezus Christus voor eeuwig te loven. — Openbaring 7:9, 10; Prediker 7:1.

In deze wereld een naam maken is van weinig waarde. Een goede naam opbouwen bij God is levenreddend.

[Inzet op blz. 25]

U gaf ons religie, en de geestelijken daarvan verbrandden onze totempalen, zeggend dat wij ze aanbaden. Dat is helemaal niet zo!

[Inzet op blz. 26]

In deze wereld een naam maken is van weinig waarde. Een goede naam opbouwen bij God is levenreddend

[Kader op blz. 24]

Er bestaan over de hele wereld vele vormen van totemisme, variërend van louter stamemblemen tot aanbidding van totemdieren. — „Totemisme”, in The New Encyclopædia Britannica Macropædia, 1976, deel 18, bladzijde 529-33.

Maar betreffende de totempalen van de Indianen aan de Amerikaanse Noordwestkust verklaart The New Encyclopædia Britannica Macropædia, 1976: „Het woord totem is een verkeerde benaming, want noch de paal, noch de daarop afgebeelde dieren worden aanbeden.” — Deel X, bladzijde 62. Zie ook bladzijde 27 van dit verhaal.

[Kader op blz. 27]

De betekenis van de totempalen van Brits Columbia

„Inhoud en functie van het totemisme verschillen over de hele wereld genomen enorm . . . Een van de in het oog springende kenmerken van dit gebied [de kust van Brits Columbia] is de overvloed van met snijwerk versierde houten palen, de zogenoemde totempalen . . . die het heraldiek embleem van de clan of afstammingsgroep vormen. De heraldieke ontwerpen zijn vaak een weergave van de familiegeschiedenis.” — Encyclopedia Americana, 1977, deel 26, bladzijde 872.

„Een totempaal zal beter worden begrepen als men hem beziet als het equivalent van een Europees familiewapen; hij wordt gerespecteerd maar nooit aanbeden, en heeft net als een heraldiek embleem wel een bepaalde betekenis, maar dat is geen religieuze betekenis.” — Haida Totems in Wood and Argillite, 1967, door S. W. A. Gunn, bladzijde 5.

„Palen vormden de aanduiding van iemands verhoging in rang, de bouw van een huis, de dood van een belangrijk persoon, of, in zeldzame gevallen, de herdenking van een zeer belangrijke gebeurtenis. De opgerichte palen hadden ook ten doel vreemden de rang en status te verklaren van degenen die in het dorp woonden, en gaven aan welke huizen tot de leden van zijn of haar eigen clan of groep van clans behoorden.” — Totem Poles of Prince Rupert, 1982, door Dawn Hassett en F. W. M. Drew, bladzijde 6.

„In het bijzonder moeten wij in gedachte houden dat de symbolen op totempalen de inheemse vervangingen waren voor het gedrukte woord. De totempaal was het uithangbord, het geslachtsregister, het gedenkteken en de rubriekadvertentie van de streek. Het was de publiciteitscampagne van de man van aanzien en door persoonlijke emblemen identificeerde de paal hem en zijn familie, zijn clan, en af en toe zijn stam, en verhaalde van belangrijke gebeurtenissen in het feitelijke en mythologische verleden.” — The Totem Pole Indians, 1964, door Joseph H. Wherry, bladzijde 90.

Met betrekking tot de Indianen aan de Amerikaanse Noordwestkust verklaart de Encyclopædia Britannica Micropædia, 1976, deel 10, bladzijde 62: „Het woord totem is een verkeerde benaming, want noch de paal, noch de daarop afgebeelde dieren worden aanbeden. De betekenis van het werkelijk bestaande of mythologische dier dat op de totempaal is uitgesneden, ligt in de vereenzelviging daarvan met de afstammingsgroep van het hoofd van het huisgezin. Het dier wordt getoond als een soort familie-embleem, zoals een Engelsman een leeuw in zijn wapen zou kunnen hebben of een veeboer een stier in zijn brandmerk.”

Niettemin kwamen de vroege zendelingen van de christenheid in actie om de „wilden” te redden en handelden op grond van deze verkeerde veronderstelling: „Veel zendelingen veronderstelden dat de palen gesneden beelden of afgoden waren. Een deel van de inspanningen om de Indianen te bekeren omvatte het omverhalen en verbranden van totempalen. Veel palen werden letterlijk verbrand, vele werden ook neergeveld, in stukken gehakt of op andere manieren verwijderd.” — Totem Poles of Prince Rupert, bladzijde 12.

[Illustratie van William Jeffrey op blz. 24]

[Illustratie op blz. 27]

Gesneden door William Jeffrey

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen