Nieuw-Zeelands kleine vliegenvanger
Door Ontwaakt!-correspondent in Nieuw-Zeeland
Als u ooit in de gelegenheid bent geweest het binnenland en de bergen van Nieuw-Zeeland in te trekken, dan bent u vast Nieuw-Zeelands kleine vliegenvanger, de bonte waaierstaart, tegengekomen. Dat is namelijk de naam van dat kleine vogeltje dat zo vrijpostig achter u aan kwam in de hoop de insekten te vangen die u deed opvliegen. Ongetwijfeld hebt u het een heel charmant vogeltje gevonden.
De waaierstaart doet zijn naam beslist eer aan, want hij kan het niet laten zijn kleurrijke, op een waaier lijkende staart te vertonen. Onder het vliegen laat hij een vrolijk, trillend geluidje horen. Soms is het hem er echt om te doen uw aandacht te trekken en gaat hij op een tak zitten en roept: „Tjiet, tjiet!” Zo gauw u dan opkijkt, spreidt hij zijn „waaier” open en gaat hij een paar staaltjes luchtacrobatiek ten beste geven. Als u niet naar hem kijkt, waagt hij het soms u tot op een meter te naderen om dan plotseling weer weg te schieten en zijn trillende liedje te hervatten.
Hij is ongeveer zo groot als een huismus. Op zijn kop en rug is hij donker olijfbruin. Deze donkere jas loopt helemaal door tot in het topje van zijn twee middelste staartveren. De rest van zijn staart is wit. Zijn buik heeft de kleur van een geelachtig leren vest, hij heeft een witte das tegen zijn keel en er loopt een klein wit streepje boven zijn ogen.
Hoewel de waaierstaart normaal gesproken in de bossen leeft, waagt hij zich ook wel in tuinen. Zijn constante jacht op vliegjes en andere kleine insekten doet hem zelfs wel eens door een open raam naar binnen vliegen. Vogelliefhebbers kunnen hem in hun tuin lokken door een haag van abeliastruiken te planten of te zorgen voor andere heesters die insekten aantrekken. Een woord ter waarschuwing: Dit kleine, vriendelijke, laagvliegende vogeltje is een gemakkelijke prooi voor de poes. Als u dus geniet van het gezelschap van poezen, probeer dan niet óók de waaierstaart te lokken!
De waaierstaart maakt een prachtig stevig, komvormig nest van vezeltjes, mos en boombast dat van binnen bekleed is met paardeharen en een laagje spinrag. Hij brengt vier of vijf broedsels in één seizoen groot (gewoonlijk tussen augustus en januari); de kleine vogeltjes worden in vijftien dagen uitgebroed. Zowel Vader als Moeder werken aan de bouw van het nest, tenminste, dat is het geval bij het eerste nest van het seizoen. Daarna raakt Pa namelijk op een of andere manier uitgekeken op nestbouwen en gaat hij zich bezighouden met het voeden van de jonge vogels.
Het is niet verwonderlijk dat dit kleine vogeltje zoveel mensen genoegen verschaft. Zijn schoonheid en kostelijke eigenaardigheden strekken zijn Schepper, Jehovah God, tot eer.