Einsteins beoordeling van ’s mensen kennis
„De grootste prestatie van de wetenschap”, verklaart Lewis Thomas in een verhandeling in The New York Times, is de ontdekking dat wij uitermate onwetend zijn.” Een sterk overdreven uitspraak? Geenszins vond een lezer. In een brief aan de Times schreef Ely E. Pilchik: „Misschien mag ik enige ondersteuning [voor Thomas’ bewering] aandragen uit een nogal gezaghebbende bron.” Hij verklaarde dat hij op 20 mei 1954 de volgende vraag tot professor Albert Einstein had gericht:
„Er is mij verteld dat u zo’n maand geleden met een bezoeker hebt gesproken over het onderwerp hoeveel wij weten van de wetten van het universum. U wees erop dat onze kennis, ondanks al onze recente vorderingen, tamelijk armzalig blijft. U illustreerde dit met twee voorbeelden: In de eerste plaats vergeleek u onze toename in kennis met die welke een man, die erin is geïnteresseerd meer over de maan te weten te komen, verkrijgt wanneer hij op het dak van zijn huis klimt om dat hemellichaam van wat dichterbij te kunnen bekijken.
Naar wat mij verteld is, concentreerde uw tweede illustratie van onze minimale kennis van het universum zich op het moment dat u uw formule van de algemene relativiteitstheorie voltooide. [Op] dat moment landde er een gewone huisvlieg op uw papier. U overdacht toen dat u daar alle belangrijke universele fysische wetten had opgeschreven, om zo te zeggen, de sleutel tot alle geheimen van het universum, en dat u nochtans werkelijk bijna niets over de aard van die kleine vlieg wist.
Dit is de wijze waarop deze woorden aan mij zijn overgebracht. Ik zou ze, met uw toestemming, graag citeren, indien ze correct zijn. Zo niet, dan zou ik het ten zeerste op prijs stellen als u mij corrigeerde.”
De vragensteller ontving een antwoord, gedateerd 21 mei 1954, dat luidde: „De beschrijving van mijn gesprek met uw zegsman is in hoofdzaak juist en u mag de beschrijving in deze vorm gebruiken. Met vriendelijke groeten, Hoogachtend, (ondertekend) A. Einstein.” — New York Times, 1 september 1981.
Hoewel de mens ermee voortgaat zijn kennis van het universum te vergroten, is ze nog steeds betrekkelijk magertjes. Dit brengt ons in herinnering wat Job zei betreffende God en zijn schepping: „Ziet! Dit zijn de zomen van zijn wegen, en wat een gefluister van een zaak is er omtrent hem gehoord! Maar wie kan er blijk van geven zijn machtige donder te begrijpen?” — Job 26:14.