Jehovah’s scheppingen waarderen
IK WAS nooit echt onder de indruk geweest van de sterren zoals dat met David het geval was geweest — ik had door alle lichten van de stad nooit zo veel sterren gezien. Maar om daar nu te staan in een totale duisternis en, zo ver het oog reikte, omringd te zijn door een zwart fluwelen uitspansel bezaaid met de sprankeling van ontelbare diamanten sterren, was overweldigend. Toen ik mij vervolgens omdraaide en eerst een kring van licht en spoedig daarna de zilveren rand van de maan van achter de berg te voorschijn zag komen, en toen ik vervolgens die maan zo snel in het volle zicht zag komen dat het leek alsof iemand zich had gebukt om haar te pakken en omhoog te trekken, en dat zo dichtbij dat ik alleen maar mijn hand scheen te hoeven uitsteken om haar te kunnen aanraken — dit alles boezemde mij nog meer ontzag in. Toen pas was ik emotioneel zo geroerd dat ik kon begrijpen hoe David kon schrijven: „De hemelen maken de heerlijkheid van God bekend; en het uitspansel vertelt het werk van zijn handen . . . de ene nacht na de andere nacht spreidt kennis ten toon.” — Ps. 19:1, 2.
En welke stadsbewoner heeft ooit een kolibrie gezien? Maar hebt u hem ooit vlak boven uw hoofd zien zitten en hebt u hem die lange tong die wel wat op een rietje lijkt, zien uitsteken om suikerwater te drinken uit een voederbuisje? En hebt u ooit een mannetjeskolibrie achterwaarts omhoog zien vliegen totdat hij bijna uit het zicht is, en hem daarna met een ongelooflijke snelheid zien neerduiken en een krakerig „pop” horen uiten boven het vrouwtje dat hij het hof maakt en wier aandacht hij wil trekken, waarna hij weer naar boven schiet en het hele ritueel zich herhaalt? En hebt u ooit een dozijn kleine kolibries een voederbuisje zien omringen, stilstaand in de lucht en zo begerig naar voedsel dat er een zelfs gaat zitten op de rug van een ander die een plaats op het stokje heeft kunnen bemachtigen en ze zich beide uit dezelfde opening voeden? Kunt u zich voorstellen hoe roerend het is om een kolibrie zowaar op uw vinger te hebben zitten?
En hebt u ooit ’s morgens tijdens het ontbijt voor het raam een Papa Kwartel de situatie zien onderzoeken en hem daarna zijn speciale roep horen uiten voor zijn vrouwtje dat haar eigen speciale antwoord terugroept, waarna u vervolgens ook Mama Kwartel te voorschijn zag komen, met 15 of 16 kleine kwarteltjes in één lange rij erachteraan?
En hebt u ’s avonds ooit een wasbeertje door uw raam naar binnen zien kijken totdat u opstond om hem uit uw hand te laten eten? Of heeft een ander wasbeertje u in het holst van de nacht door zijn bonken tegen de schuifdeur wakker gemaakt omdat hij gevoerd wilde worden? Of is ooit bij u een schattig baby-wasbeertje uit nieuwsgierigheid op uw schoot geklommen, zodat u hem kon knuffelen?
Heel weinig mensen kunnen al deze vragen bevestigend beantwoorden, maar ik heb het voorrecht gehad al deze dingen en nog vele meer mee te maken. En wat ze me onderwezen hebben, heeft zich op een regenachtige dag uitgekristalliseerd. Het had al dagen geregend, maar op deze speciale namiddag begonnen de wolken plotseling te breken en werd de regen minder totdat er ten slotte nog slechts hier en daar een druppel viel. Ik opende de schuifdeur en begon langs een smal paadje naar beneden te lopen, het ravijn in. En eensklaps werden mijn zintuigen overstelpt door bewijzen van Jehovah’s liefde.
Mijn ogen zagen de zwarte wolken over de berg wegdrijven, terwijl een prachtige dubbele regenboog boven het ravijn verscheen en de zon van achter de steeds meer brekende bewolking haar lichtstralen uitzond. Mijn oren hoorden geen onwelluidende, door mensen veroorzaakte geluiden, maar het zachte ruisen van de wind door de pijnbomen en de symfonie van allerlei soorten vogels die zongen, tjilpten en floten. Mijn neus rook de heerlijke frisse lucht en de scherpe geur van salie en natte aarde. Mijn huid voelde de koele vochtige bries en de warmte van de zon op mijn rug. En mijn hart, overvloeiend van dankbaarheid, deed mij onwillekeurig uitroepen: „O Jehovah, dank u voor deze prachtige aarde! Alstublieft, laat mij er voor altijd op blijven wonen!” — Ingezonden.