De mus en de leer van het hellevuur
Op een ochtendbijeenkomst van degenen die op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap dienen, kwam de tekst in Matthéüs 10:29-31 ter sprake. In deze passage wordt Jezus’ uitspraak geciteerd: „Worden niet twee mussen voor een geldstuk van geringe waarde verkocht? Toch zal er niet één van op de grond vallen zonder medeweten van uw Vader.”
De voorzitter van de bespreking vroeg een studente van de Wachttoren-zendelingenschool: „Hoe kan deze schriftplaats gebruikt worden om met iemand over de leer van het hellevuur te redeneren?” Wat zou u hebben geantwoord?
Zonder aarzeling stak de studente met haar verklaring van wal. Uit de tekst blijkt de diepe bezorgdheid van de hemelse Vader voor zijn schepselen, zelfs voor de nederige mus. Daar hij een God met zo’n groot mededogen is, zou hij er beslist niet zijn goedkeuring aan hechten als mensen in dit leven of in een toekomstig leven werden gemarteld. Om haar redenatie te ondersteunen, haalde zij Ezechiël 18:23 aan: „’Schep ik ook maar enigszins behagen in de dood van een goddeloze’, is de uitspraak van de Heer Jehovah, ’en niet daarin dat hij zou terugkeren van zijn wegen en werkelijk zou blijven leven?’” „Wij aanbidden een God van liefde en mededogen”, voegde zij eraan toe. „Laten wij alles doen wat in ons vermogen ligt om zijn hoedanigheden na te volgen.”
De voorzitter reageerde daarop met de woorden: „Daaruit blijkt toch wel dat de studenten van de zendelingenschool goed onderwezen worden!” Waarmee alle aanwezigen van harte instemden.