Is het de denkwijze?
● „Misdaad is een produkt van de manier waarop een misdadiger denkt”, zei Dr. Stanton Samenow, klinisch psycholoog en adviseur in Alexandria, Virginia, in het interview. Hij maakte deel uit van een team dat zeventien jaar heeft besteed aan het onderzoeken van de misdadige geest door talloze interviews en pogingen om verstokte, vaak gewelddadige misdadigers te rehabiliteren.
Waarom gelooft u dat milieu en opvoeding niet doorslaggevend zijn?
De meeste arme mensen zijn geen misdadigers. Veel welgestelden wel. De meeste leden van minderheidsgroepen zijn geen misdadigers en velen die tot de meerderheid behoren wel. Ruim de helft van de misdadigers met wie wij werkten, kwam uit een stabiel gezin. Meestal hadden zij broers of zussen of buren die in dezelfde omstandigheden verkeerden en die niet het pad van de misdaad zijn opgegaan.
Wilt u zeggen dat het veranderen van het milieu niet voldoende is?
Ja. De misdaad houdt niet op als je de achterbuurten sloopt. De misdaad zetelt in de geest van mensen, niet in de achterbuurten. Een verandering van milieu verandert niet de innerlijke mens. Zelfs de bijbel zegt: „Zoals hij denkt in zijn hart, zo is hij” (Spr. 23:7, Authorized Version). Het denkpatroon van een misdadiger moet veranderd worden.
Wat waren de hardnekkigste denkfouten die u aantrof?
Natuurlijk bezag de misdadiger ze niet als zodanig. Maar in The Criminal Personality hebben wij tweeënvijftig foute denkpatronen opgesomd. Tot de hardnekkigste behoorden: 1. Het idee dat de wereld van hen is en dat je kunt nemen wat je wilt en wanneer je het wilt. 2. Het vermogen vrees uit te schakelen. Zij zijn superoptimistisch. Vrees voor letsel, vrees dat zij betrapt worden of zelfs een knagend geweten wordt eenvoudig voor het moment uitgeschakeld. 3. Geen gevoel voor teamwerk. Als negen misdadigers een honkbalteam vormden, zou elk van hen denken dat hij de aanvoerder was. 4. Zij denken in uitersten — zij zijn òf Nummer Eén òf ze betekenen niets.
Hoe verandert u de denkwijze?
De persoon in kwestie moet willen veranderen. Je probeert hem te benaderen als hij in de put zit. Misschien heeft hij cellulair gekregen of staat hij op het punt zijn gezin te verliezen. In plaats dat je informeert naar zijn opvoeding, waardoor hij zich een hulpeloos slachtoffer van de omstandigheden zou gaan voelen, vertel je hem op een beleefde manier wat een beroerd leven hij heeft. Wij proberen zijn afkeer van zichzelf te vergroten.
Welke positieve idealen brengt u hun bij?
De noodzaak zelf de volledige verantwoordelijkheid te nemen. Geef niet anderen de schuld. Zoals een misdadiger die wat vorderingen maakte, zei: ’Ik dacht altijd dat als m’n ouders me meer liefde hadden gegeven, ik geen misdadiger zou zijn, maar nu vraag ik me af of ze zo geworden zijn omdat ik zo’n zoon was.’ „Ik kan niet” werd vervangen door „Ik moet”. Wij brachten hun empathie voor anderen bij.
Waardoor wordt een terugvallen tot de misdaad voorkomen?
Wij leerden hun hoe zij hun eigen critici konden worden door voortdurend na te gaan of hun denkwijze wel moreel juist was. Deze constante morele inventarisatie is het voornaamste dat hen ervan weerhoudt.
Hoe succesvol zijn uw pogingen geweest?
Na onze werkwijzen ontwikkeld en verfijnd te hebben, hebben wij ons tussen 1970 en 1976 intensief beziggehouden met dertig keiharde misdadigers. Van hen zijn er dertien totaal veranderd; het zijn nu ordelievende burgers.